De Kortste Weg

Hoewel de provincie Zuid-Holland zich al vijf jaar inzet voor lokaal en duurzaam voedsel in haar eigen restaurants en catering, is het niet erg opgeschoten. Uit een recent onderzoek door Greendish blijkt dat slechts tien procent van de in het provinciehuis genuttigde voedingswaren inmiddels lokaal is geproduceerd. De provincie zelf hanteert een andere rekenmethode en houdt het aandeel van lokaal voedsel op 23,7 procent. De kortste weg is niet voor iedereen dezelfde.

Sebastiaan Grosscurt

Al sinds 2016 zet de provincie zich in voor een korte keten en gebruikt campagnes als ‘Zet je tanden in Zuid-Holland’ en de ‘80/20 challenge’ (tien dagen lang 80 procent van je eten uit Zuid-Holland halen) voor de publieke bewustwording van lokaal eten. Ook buiten het provinciehuis hingen deze grote posters in een campagne. Toch is het voor de provincie erg moeilijk om concreet de daad bij het woord te voegen: in haar eigen bedrijfsrestaurants wordt voornamelijk niet-lokaal eten aangeboden. 

Maar 10 procent lokaal

Uit de cijfers van Greendish blijkt de provincie in haar eigen restaurants en catering maar 21 procent in Nederland geproduceerd voedsel te serveren, waarvan 11 procent regionaal en 10 procent lokaal. Het gemiddelde aandeel van regionaal voedsel in Nederlandse overheidslocaties ligt hier met acht procent net onder. Andere locaties hebben wel een groter aandeel Nederlandse producten, namelijk 34 procent.

Lokaal voedsel neemt een steeds groter deel van ons dieet in, een trend die lokale boeren steunt en de milieu-impact van voedsel drastisch kan verlagen.

Promotie voor lokale producten op de gevel van het provinciehuis

Producten worden als lokaal beschouwd wanneer deze regionaal zijn en geleverd zijn met een ketenlengte van één schakel of korter, waarbij de producten dus direct geleverd worden door de producent, of in een korte keten met maximaal één tussenhandelaar. Regionaal betekent in dit geval niet uitsluitend Zuid-Holland. Het bestrijkt een gebied binnen een straal van 50 kilometer van het provinciehuis, waar Amsterdam en Utrecht net buiten vallen. 

Nog veel lange ketens

Wat betreft ketenlengte ligt de catering van provincie Zuid-Holland iets achter op andere overheden. Waar 15 procent van de producten met één of minder schakels in de voedselketen op het bord van de gemiddelde beleidsmedewerker valt, is dit 11 procent voor de medewerkers van provincie Zuid-Holland en geldt dit vooral voor graanproducten, aardappelen en snacks. 

Opvallend is wel het aandeel seizoensgroenten uit volle grond, producten waarin Zuid-Hollandse boeren natuurlijk uitblinken, wat met 61 procent drie maal hoger ligt dan het landelijk gemiddelde.

Daarbij weet de provincie van alle aangeboden producten of ze op het moment van aanbieden in seizoen zijn en heeft een goed beeld van de fruit- en groentekalender. Dit is belangrijk voor vergroening, omdat Nederlandse en regionale producten niet direct beter voor het milieu zijn, maar het seizoen en de teeltwijze ook een belangrijke rol spelen. 

Andere cijfers door meetverschillen

Willy de Zoete

Gedeputeerde Willy de Zoete bekijkt de cijfers uit het onderzoek met een iets ander oog. Ze ziet een wezenlijk verschil tussen het beleid rondom ‘Zet je tanden in Zuid-Holland’ en de rekenmethode van Greendish. “Dit gaat uit van de inkoopcijfers op basis van een volledige maand inkoop voor de keuken in het provinciehuis. Hierbij is een selectie gemaakt van honderd producten, niet het volledige gamma, met een hoge omzetsnelheid en bestelfrequentie. De rekenmethodiek en analyse van Greendish is bovendien enkele malen aangepast omdat het verzoek tot deelname viel in coronatijd en voor de provincie zodoende geen juiste afspiegeling konden vormen.” 

Hoewel Greendish 13.000 producten verspreid over 17 overheidslocaties traceerde, meent De Zoete meent dat de bevindingen niet vergelijkbaar zijn met werkelijke aandeel van lokaal voedsel. Dat schat de provincie zelf op 23,7 procent. Het verschil met de 10 procent lokale producten dat Greendish becijferde wordt ook gezocht in niet meegerekende evenementen, waaronder bedrijfslunches, kerstmarkten en online bestellingen, die buiten het dagelijkse aanbod vallen en worden gefaciliteerd door lokale leveranciers. 

Een lange weg voor korte ketens

Hoe en of het verschil in aangeboden lokaal voedsel enkel kan worden uitgelegd door deze meetverschillen, is onduidelijk. Vermoedelijk is er ook een verschil in definitie van wat nou lokaal voedsel is en wat niet. Aangezien het aandeel lokaal voedsel het bedrijfsrestaurant op 10 procent steekt, lijkt het dat er voor een transparante korte keten nog een lange weg bewandeld moet worden.

Nog een initiatief

De provincie heeft zich met dat doel ook aangesloten bij de het landelijke initiatief Green Deal Catering Overheidslocaties en zegde toe zich verder in te spannen voor de inkoop van meer duurzaam en lokaal voedsel. Het onderzoek van Greendish was een nulmeting voor die Green Deal.

Als de provincie zelf echt haar tanden in Zuid-Holland wil zetten, is er meer inzicht nodig in de grotendeels onbekende keten. In samenwerking met de groothandel en lokale aanbieders is het mogelijk om meer lokale producten op de kaart te zetten om zo lokale boeren en vissers te ondersteunen en de kennis over de Zuid-Hollandse voedselketen te vergroten. 

Ook enthousiast over de korte keten? Bekijk dan hier bij welke aanbieders je in jouw regio terecht kunt en bestel direct een proefpakket om de smaak van de korte keten zelf te ervaren!

Tijdens een FOOD-festival voor lokale producten in Krimpenerwaard vijf jaar geleden, ontdekte Arike Mijnlieff iets geks: de bezoekers wisten nauwelijks wat voor voedsel hun eigen streek ze konden kopen. “Waar haal je al die streekproducten?”, vroegen ze. Het was het begin van de Voedselfamilie Krimpenerwaard, een lokaal initiatief waar minder transportkilometers en meer gezondheid en biodiversiteit voorop staan. 

Kees Vermeer

Arike Mijnlieff

Van een kleine voedselkaart groeide het uit tot een organisatie waaraan zo’n 25 partijen bijdragen. “De Voedselfamilie staat voor een eerlijke route naar gezond eten uit je eigen regio. Het is hoopvol en hartverwarmend dat al zo veel partijen meedenken”, zegt initiatiefnemer Mijnlieff.

Zelf is Arike al vanaf 2014 bezig met initiatieven voor de korte keten. Gaandeweg kwam ze in contact met gelijkgestemde mensen en werd de eerste samenwerking met de Stichting Promotie Krimpenerwaard een feit. ‘We wilden gezamenlijk nagaan waar behoefte aan was en wat we met elkaar konden doen op het gebied van voedsel en korteketenlijnen. Vanuit de Krimpenerwaard gingen we op handelsmissie naar Rotterdam. We kwamen onder andere in de Markthal die toen net nieuw was, en ook bij de Fenix Food Factory met ambachtelijke ondernemers op Katendrecht.”

Passie voor voeding en natuur

De roots van Arike zelf gaan veel verder terug. Als kind was ze liever in haar moestuin dan in een zandbak. Ze had familie op een boerderij in Friesland waar ze vrijwel iedere zomervakantie naar toe ging en hielp met hooien, kippen voeren, koeien melken en oogst verwerken. Later heeft ze haar passie voor voeding en natuur omgezet in een studie, en nu heeft ze een praktijk om mensen te begeleiden op het gebied van voeding en gezondheid. Tevens werkt Arike mee aan verschillende projecten voor bewustwording over gezonde voeding voor mens en natuur. Ze is betrokken bij tal van regionale en landelijke organisaties in de korte keten, vaak in combinatie met gezondheid.

FOOD-kaart

Arike’s rol in de Voedselfamilie Krimpenerwaard is het enthousiasmeren van producenten, consumenten en andere belanghebbenden om samen te werken aan duurzaamheid en lokaal geproduceerd voedsel. De start van de Voedselfamilie was met een food-festival in 2016 in Krimpen aan den IJssel met uitsluitend streekproducten. Het viel haar op dat de plaatselijke bevolking nauwelijks wist wat er al was in de Krimpenerwaard. Waar haal je die streekproducten?

Waar haal je die streekproducten?

Bezoekers van het FOOD-festival Krimpenerwaard

“Daarom hebben we toen de Krimpenerwaard FOOD-kaart gemaakt, met een overzicht van lokale aanbieders. Ik heb zelf potjes bij elkaar gescharreld om die te realiseren. Inmiddels is de derde FOOD-kaart gepubliceerd, met bijna veertig lokale producenten. Bovendien was in 2018 een tweede FOOD-festival in Lekkerkerk. Dat was in samenwerking met de Groenalliantie Midden-Holland en de Krimpener Kunstwaard, met kunstenaars in en uit de Krimpenerwaard. Het is inspirerend om samen zo’n festival vorm te geven. Steeds meer initiatieven rijgen zich aaneen, zoals recent ook Fietsenvoormijneten.”

Vaker op de fiets naar de boer

De Voedselfamilie richt zich op gezondheid, duurzaamheid en het verbinden van consumenten en producenten. Op de website voedselfamiliekrimpenerwaard.nl verwoordt Arike het zo: ‘Met de Voedselfamilie Krimpenerwaard geven we vorm aan gezamenlijke verantwoordelijkheid en samenwerking naar een gezondere bodem, voeding, levensstijl en een bloeiende lokale economie.’ Ze wil bereiken dat mensen vaker op de fiets stappen naar de boer in de buurt, in plaats van met de auto naar de supermarkt om daar alle boodschappen te doen. “Mijn motivatie is de zorg voor de natuur en gezondheid in het algemeen. Daarbij past ook een gezonde lokale economie.”

De komende tijd zullen activiteiten en samenwerkingen inhoudelijk verder worden uitgewerkt, zoals met De Kortste Weg en Rotterdam De Boer Op. Arike ziet de Voedselfamilie als een groot plein waar iedereen kan samenkomen om via samenwerking elkaar te versterken. “We willen ook onderwijs en voorlichting gaan geven over voedsel, over hoe het groeit en wat het doet in je lichaam. Het is belangrijk dat kinderen dat al op jonge leeftijd meekrijgen, en zich ook bewust worden van het belang van lokale productie. Zo kunnen we met kinderen naar een boomgaard om te laten zien hoe fruit groeit aan de bomen, of met hen een workshop doen om bijvoorbeeld appelmoes te maken. Er zijn al contacten met scholen en met mensen die dit soort lessen kunnen gaan verzorgen. Ook andere voedseldeskundigen, diëtisten, artsen en sportorganisaties kunnen hierin een rol gaan spelen.”

Melktap in supermarkt

Arike noemt nog wel enkele uitdagingen. Zo hebben instellingen contracten met grote leveranciers en is het niet vanzelfsprekend dat die meteen zullen of kunnen overstappen naar lokale producenten. Dat vereist onder meer flinke aanpassingen aan de logistiek. “Dus we moeten hen zover krijgen dat zij toch die stap gaan maken. Dat geldt ook voor de consument. Zo had een supermarkt een melktap staan met melk van een plaatselijke boer. Maar de meeste mensen zijn nog zo gewend aan melk in pakken, dat veel van die melk overbleef. En daar kun je dan niets meer mee. Dus het bewustzijn over lokale producten moet nog groeien. Gelukkig zien veel mensen vanwege de coronacrisis steeds meer gevaren en risico’s van de huidige voedselketens. Daardoor groeit de vraag naar lokale producten.”

Veranderingen vragen meestal een lange adem. Arike vindt het daarom belangrijk om te beginnen met educatie aan kinderen: “Zij zijn de consumenten van morgen. Educatie is ons fundament. Dan worden ook docenten en ouders erbij betrokken. Zo kunnen we een nog groter netwerk opbouwen. We staan met elkaar voor grote duurzame uitdagingen. Gelukkig is er steeds meer belangstelling voor korte ketens. Ik vind het hoopvol en hartverwarmend dat al zoveel partijen meedoen met de Voedselfamilie.”

Ook enthousiast over de korte keten? Bekijk dan hier bij welke aanbieders je in jouw regio terecht kunt en bestel direct een proefpakket om de smaak van de korte keten zelf te ervaren!

In plaats van zich aan te sluiten bij grote boerencoöperaties als FrieslandCampina of Arla, zoeken boeren samenwerking in kleiner verband. Onder het motto ‘samen sterker’ lukt dat steeds beter. De omzet stijgt de laatste jaren hard, omdat steeds meer consumenten de voordelen van kleinschalige productie zien. Maar waarom kan dat niet bij de grote jongens?

Wouter van Wijk

Wil de Vette

Dat het snel kan gaan, bewijst de coöperatie Delflandshof. “We hebben de ambitie om eerlijke eigen Midden Delflandse zuivel te produceren,” zegt Wil de Vette van Hoeve Bouwlust in Maasland. De familie De Vette richtte vijf jaar geleden samen met vier andere boeren de coöperatie op en groeit, zeker in het laatste jaar, flink: “We begonnen met drie koeien voor onze coöperatie en zitten nu op twintig. Er zijn al momenten dat zelfs dat te weinig is!”

Delflandshof doet niet alleen aan melk, maar ook andere zuivel, vlees en andere delicatessen. De producten werden eerst alleen verkocht in de boerderijwinkel van Bouwlust, maar groeide snel naar veertig andere afzetpunten, zegt De Vette. ,,Vooral delicatessenwinkels, maar ook een paar supermarkten.” Voordat corona toesloeg, had de coöperatie ook vergevorderde plannen om direct aan de horeca te leveren. Logischerwijs ligt dat nu even stil.

Het geheim van die snelle groei? “Bij ons smaakt de zuivel zoals het vroeger smaakte. Er zit een veel vollere smaak aan onze melk.” zegt De Vette. “In de fabriek trekken ze de melk eerst helemaal uit elkaar. En daarna mengen ze het tot melk. Zo krijg je altijd een constant vet- en eiwitpercentage. Dat smaakt heel anders dan onze melk. Mensen hebben het prijsverschil ervoor over.” Een liter melk van Delflandshof kost nu 1,55 euro, fabrieksmelk kost 1 tot 1,25 euro.

Edwin Veldhuijzen

Ook coöperatie Groene Hart Streekproducten ziet een flinke groei. Voorzitter Edwin Veldhuijzen: “We hebben dit jaar twintig procent meer omzet geboekt. Dat komt deels door de lockdown, en deels omdat we ons eigen merk, STREEK, hebben geïntroduceerd. We begonnen tien jaar geleden met 0 en hebben nu een omzet van 3 miljoen.”

Investeren

Daar is Delfslandshof nog niet. Financieel gezien is het voor de boeren nog geen vetpot, zegt De Vette: “Het is nu alleen nog maar investeren, het kost alleen maar geld. We hebben een nieuwe machine aangeschaft. De andere vier boeren investeren mee, puur omdat ze erin geloven. Dat het in de toekomst meer gaat opleveren.”

Dat moet kunnen, want voor de melk die boeren bij de fabrieken van FrieslandCampina laat afleveren, krijgen ze momenteel 32 tot 35 cent. Na aftrek van de kosten blijft er via Delflandshof flink meer over voor de boer. En dan is de levering aan de horeca nog niet eens begonnen. De Vette: “We zijn nog wel tevreden over FrieslandCampina hoor, maar zelfstandig werkt het wel lekkerder.”

De naam FrieslandCampina heeft voor veel boeren een dubbele lading. Aan de ene kant is het een betrouwbare partner. Aan de andere kant is de complete focus op schaal ze een doorn in het oog. Maar wat kunnen ze doen? De macht is groot. Daarom is er ook wrijving. 

Veldhuijzen: “We krijgen 33 tot 35 cent per liter, terwijl onze kostprijs al hoger is: 37 tot 40 cent.” Hij hekelt die scheve verhouding: “Mijn opa kreeg vroeger al 80 guldencent. Daar betaalde hij knechten van en het kon prima. Het zou nu, met alle kosten die we hebben onderhand 80 eurocent moeten zijn.”

Ondergeschoven kindje

Commercieel manager Edwin Crombags heeft beide kanten gezien: kleine en grote schaal. Hij werkte achttien jaar bij FrieslandCampina en nu alweer jaren bij het veel kleinschaliger Weerribben Zuivel. Hoewel hij persoonlijk geen negatieve ervaringen heeft met FrieslandCampina, is het verschil groot: “Het is een vrij log apparaat waar je wel door veel schijven heen moet om iets te bereiken. Dat is hier wel anders.” Hij ging uiteindelijk weg omdat hij graag biologische producten vermarkt. “Ik kon me niet honderd procent focussen op het biologische deel. Bij FrieslandCampina is dat toch een ondergeschoven kindje.”

De kracht van Weerribben zit ‘m juist in de kleinere schaal, denkt hij: “Bij de consument is behoefte aan lokale producten, met een eerlijke, transparante herkomst. Dat merken wij enorm. Ieder jaar groeien we tien procent.” Ook hij wijst op de vraag naar betere zuivel: “Wij werken al sinds de jaren tachtig met een ambachtelijke methode. De yoghurt krijgt bij ons de tijd om zuur te worden. In de fabriek niet. Kwark laten we echt uitlekken, zoals het hoort bij kwark. In de fabriek werken ze met een kwarkcentrifuge. Dat heeft niets te maken met kwark zoals die vroeger bereid werd.”

Hij wijst ook op het verschil in biologische keurmerken. “Het Europese bio-logo is minder streng dan bijvoorbeeld het Eko-keurmerk van onze melk. De normen liggen daar vast, en als je het wilt aanscherpen ben je in Europa jaren bezig natuurlijk.”

Daar komt nog bij dat lokale producten steeds belangrijker worden: “Heel veel mensen denken bijvoorbeeld dat producten in de supermarkt van Arla, uit Nederland komen. Dat is vaak niet zo, een groot deel komt uit Denemarken. Ze kijken gewoon waar de grondstof, melk, het goedkoopst is en daar halen ze het vandaan. Het zijn toch industriële partijen uiteindelijk”

Vraagtekens

Dat wrijft steeds meer in de landbouwwereld, zo lijkt het. “Ik hoor wel dat een aantal biologische boeren steeds meer vraagtekens zetten bij die werkwijze,” zegt Crombags. Daarom blijft Weerribben voorop lopen: “We gaan telkens een stap verder dan wat er in de supermarkt wordt aangeboden. Zo werken we nu samen met de Vogelbescherming en zetten we ons in voor kruidenrijk grasland.”

Groene Hart Streekproducten doet dat anders. De ruim dertig boeren van de coöperatie werken juist heel nauw samen met een supermarktketen, Hoogvliet. “Al tien jaar. Maar dat is heel iets anders dan met de echt grote jongens hè, Hoogvliet is een regionale retailer. Ze promoten echt regioproducten, zo zijn wij een onderdeel van hun marketing.” 

Veldhuijzen heeft weinig op met de echt grote supermarktketens: “We hebben er wel eens aan tafel gezeten. Die mensen gebruiken allerlei onderhandelingstechnieken waar wij niet van houden. Ze schuiven alle risico’s bij jou in je schoenen. Als je aan Albert Heijn wilt leveren, moet je de melk in hun distributiecentrum zetten. Als het dan te dichtbij de houdbaarheidsdatum komt, moet je het weghalen en krijg je niets. Dat is nog maar een voorbeeld. Hoogvliet helpt ons juist met het ontwikkelen en vermarkten van producten.” Ook al is dat laatste ook niet zonder horten en stoten gegaan: “Daar hebben we jaren aan moeten bouwen, maar nu werkt het fantastisch.”

Ook enthousiast over de korte keten? Bekijk dan hier bij welke aanbieders je in jouw regio terecht kunt en bestel direct een proefpakket om de smaak van de korte keten zelf te ervaren!

Het nieuwe project Rotterdam De Boer Op van Natuurmonumenten wil iets voor elkaar krijgen waarvan je zou denken dat het al eeuwen praktijk is: producten van boeren rondom Rotterdam moeten gewoon in de stad te koop zijn. Het klinkt als een open deur, maar het gebeurt amper. De Nationale Postcodeloterij steekt er zelfs vijf miljoen euro in. Waarom is dat nodig?

Kees Vermeer

“We zitten in een rat-race om steeds goedkoper voedsel te produceren. Uiteindelijk houdt dat een keer op, want producten kunnen niet steeds nóg goedkoper in de winkel liggen. Bovendien is het slecht voor milieu en biodiversiteit. In de hele voedselketen is de boer financieel gezien de laatste. Zij kunnen niet de prijs bepalen waarvoor ze hun producten willen verkopen en moeten doen met wat uiteindelijk nog over is.” 

Arie van den Berg. Foto Natuurmonumenten

Melkveehouder Arie van den Berg van Hoeve Ackerdijk in Schipluiden schetst in enkele woorden het probleem van de huidige voedselproductie en het grote knelpunt van boeren daarin. Daarom is hij aangehaakt bij ‘Rotterdam de boer op!’, een project van Natuurmonumenten en achttien partners, zoals het Zuid-Hollands Landschap, Herenboeren en Rotterdamse Oogst. Ze werken samen aan ‘een grote omwenteling op het Rotterdamse platteland én in de stad’. Het doel is meer biodiversiteit op het platteland, meer regionaal geproduceerd eten en een gezonde bedrijfsvoering voor boeren.

Mooi resultaat

Hoeve Ackerdijk is een biologische boerderij tussen Rotterdam-Overschie en Delft. Van den Berg werkt al ruim twintig jaar biologisch. Hij wilde met zijn bedrijf niet groter worden, geen kunstmest op het land, geen bestrijdingsmiddelen en minder vee. “Dat alles bij elkaar vergroot de kans op meer biodiversiteit doordat je het land minder intensief gebruikt. Dat is voor de natuur een mooi resultaat. Maar consumenten moeten wel bereid zijn om meer te betalen voor biologische producten. Zolang boeren met hun producten moeten concurreren tegen prijzen op de wereldmarkt, redden zij het niet om de omslag te maken naar biologisch werken. Boeren denken in langere termijnen en willen graag dat hun bedrijf er nog steeds is voor de volgende generatie. Daarom kiezen veel boeren er toch voor om te blijven groeien met hun bedrijf. Dat maakt een omslag nog complexer.”

“Wij gaan ervoor zorgen dat producten van boeren op het Rotterdams platteland, niet alleen naar de wereldmarkt gaan, maar straks ook gewoon in de stad te koop zijn”

Natuurmonumenten
Harder aan werken

Zestig procent van de oppervlakte van Nederland is agrarisch gebied. Teruglopende biodiversiteit is dus meteen een heel groot probleem. Andersom is het grote winst als de biodiversiteit weer kan toenemen. Volgens Van den Berg is momenteel slechts 4 procent van de agrarische oppervlakte van Nederland in gebruik voor biologische teelt. Dat gaat om boeren die natuurinclusief of volgens kringlooplandbouw willen werken. “Het gaat nog steeds om kleine aantallen boeren die daaraan meedoen. De biologische landbouw groeit weliswaar, maar daar moeten we harder aan gaan werken”, stelt Van den Berg. “Dit initiatief is daarvoor een mooie stimulans. Misschien kan dat boeren helpen om grond te financieren, zodat zij alleen de exploitatiekosten voor de grond hoeven te betalen. Overigens zijn er ook al andere initiatieven, bijvoorbeeld van burgers die willen investeren.”

Meer rechtstreekse verkoop

Het bedrijf van Van den Berg is een melkveebedrijf met bijna honderd koeien en vijfentwintig schapen. Er is tevens professionele kinderopvang gevestigd. Het merendeel van de melk gaat naar Friesland Campina en is in de supermarkt te koop als Campina Biologisch. De biologische zuivelproducten van de boerderij zijn ook bij enkele winkels in Delft en op de boerderij te koop. Hoeve Ackerdijk verkoopt op bestelling tevens biologische vleespakketten, veelal van jonge koeien die bijvoorbeeld geen melk meer kunnen geven. 

‘Ik krijg mijn tomaten gemakkelijker in Italië dan in hartje Rotterdam’

Tomatenteler in de buurt van Rotterdam

Van den Berg en zijn zoon willen, in lijn met een van de doelen van De Boer Op, de rechtstreekse verkoop aan de consument uitbreiden: “Door producten directer naar de stad te brengen, willen we een stukje van de marge naar ons toe halen dat nu in de keten zit. Helaas is de afzet in de buurt nu soms nog lastiger dan ver weg. Zo hoorde ik een tomatenteler zeggen: ‘Ik krijg mijn tomaten gemakkelijker in Italië dan in hartje Rotterdam’. Logistiek zijn er nogal wat hobbels om op korte afstand te kunnen leveren.”

Minder intensief

Van den Berg wil zoveel mogelijk circulair werken. Een voorbeeld: koeien die veel melk produceren, moeten worden bijgevoerd met speciaal voer. Dat wordt vanuit de hele wereld hiernaartoe gevlogen. Maar de koeien van Hoeve Ackerdijk geven jaarlijks zesduizend liter melk. Dat is tegenwoordig niet erg veel, maar zij kunnen dat met alleen gras uit de eigen omgeving. “We hebben daarvoor een speciale, iets sterkere koe gefokt. Als je een circulair bedrijf wilt, moet je minder intensief gaan werken en minder ruimte gebruiken. Ik vind het voorbarig om te zeggen dat de veestapel gehalveerd moet worden, maar misschien moeten we wel die kant op. Misschien gaan ook wij op termijn minder koeien houden.”

Melkveehouder Arie van den Berg uit Midden-Delfland en boswachter Natascha Hokke. Foto Bart Hoogland/Natuurmonumenten
Omwenteling

Volgens Van den Berg moeten boeren vertrouwen krijgen dat er toekomst zit in biologisch werken. Want niet iedereen durft die stap te maken. “Ik geloof erin dat er een tegendraadse beweging op gang komt als we dit met verschillende instanties gaan doen, met ook goede voorlichting.” Het geld van de Postcodeloterij kan daar goed bij helpen, denkt hij: ,,Onderdeel daarvan is dat boeren een deel van hun land omvormen naar natuur, zoals wij ook altijd hebben gedaan. Weidevogels zijn ons doel, waarbij we ons kunnen ontplooien in het ondernemerschap en we toch onze prestaties halen. Dat vind ik een boeiende kant van het geheel. En het kán. Want wij bestaan na 22 jaar nog steeds. En met veel weidevogels op ons land.”

Ook enthousiast over de korte keten? Bekijk dan hier bij welke aanbieders je in jouw regio terecht kunt en bestel direct een proefpakket om de smaak van de korte keten zelf te ervaren!

Waar je vroeger met een vergrootglas moest zoeken naar klimaatplannen van Nederlandse politieke partijen, is het als voorstander van de korte keten, natuurlijk boeren en kringlooplandbouw, komende week opeens lastig in het stemhokje. Door de bomen zie je de lokale gifvrije landbouwgrond bijna niet meer. Partij voor de Dieren en GroenLinks zetten natuurlijk vol in op het milieu, D66 en ChristenUnie ook. Maar wie wil nou wat? En hoe groen is het CDA eigenlijk als je iets verder kijkt dan het logo?

Wouter van Wijk

Over dat laatste kunnen we kort zijn: het milieu komt er niet zo best vanaf bij het CDA. En bij alle partijen rechts daarvan in het politieke spectrum. Ondanks de problemen met dierenwelzijn en milieu wil de VVD alles houden zoals het is en vindt ook het CDA de huidige landbouw grofweg prima. Waarschijnlijk vooral om de boeren-achterban niet tegen het hoofd te stoten. Beide partijen halen de doelen van het zelf ondertekende klimaatakkoord ook niet.

Iets verder naar rechts ontkennen PVV en Forum voor Democratie bijna alle milieuproblemen en willen geen verandering. Met een kleine uitzondering: Forum pleit voor “meer aandacht voor producten van Nederlandse bodem, verkleinen afstand tussen voedselproductie en consument”. Hoopvol voor bedrijven in de korte keten, maar verder weinig concreet.

Groen is links

Aan de linkerkant van het spectrum ligt de situatie heel anders. Terwijl de problemen met het klimaat uiteindelijk alle mensen aangaat – rechts én links – zitten alle groene partijen aan de linkerkant van het politieke spectrum. Op links scoren de SP en PvdA minder goed dan de rest, maar zeker beter dan alle partijen op rechts. 

Wie voor kringlooplandbouw, de korte keten en natuurlijk boeren stemt, komt al snel uit bij GroenLinks, ChristenUnie, D66 of Partij voor de Dieren. De vier partijen willen zo lokaal mogelijk werken en zijn ook in algemeen klimaatbeleid koploper.

Controversieel voor veel boeren is de kleinere veestapel. GroenLinks en D66 mikken op een halvering, om problemen met stikstof, mest en milieu op te lossen. PvdD gaat voor driekwart minder vee. ChristenUnie, met veel achterban in de boerenomgeving, laat dat moeilijke onderwerp liever in het midden.

Uiteindelijk verschillen die vier partijen niet enorm in hun aanpak van milieuvriendelijk boeren. Dus wat is wijsheid?

Stemwijzers groeien als kool

Gelukkig kun je als natuurminnende kiezer tegenwoordig terecht bij verschillende stemwijzers en adviezen van allerlei organisaties. Die de accenten net even anders leggen, zodat je als kiezer de verschillen kunt zien. Zo geven de Voedselstemwijzer en de New Food Kieswijzer een hele aardige richting met onderwerpen als de vleestaks, kringlooplandbouw en een goede prijs voor de boer. Bij de laatste kun je ook zien wat andere kiezers denken over die onderwerpen, waaruit blijkt dat veel partijen minder groen zijn dan hun kiezers. Zo wil het CDA geen heffing op vlees, maar wil een meerderheid van de CDA-stemmers dat wel.

Maar ook Foodwatch heeft een wijzer, die meer is gericht op gezondheid, net als de Stemwijzer Gezond Voedsel. Daar scoort de PvdA weer iets beter dan GroenLinks. Milieudefensie heeft de klimaatgerichte Jij Kiest Wijzer! Ook zijn er de puur op landbouw gerichte Boerderij Kieswijzer en de meer algemene Duurzame Kieswijzer.

Behalve stemwijzers, geven organisaties ook andere informatie. Zo moedigen de Caring Farmers kiezers aan om te stemmen voor kringlooplandbouw. Hoe de partijen op klimaatkwesties hebben gestemd, staat heel mooi op Kiesklimaat. Greenpeace heeft Groene Gesprekken met lijsttrekkers. Milieudefensie laat ook kandidaten aan het woord. Jongeren en jonge ouderen kunnen het Groene Verkiezingsdebat terugkijken, of terecht op Kies voor Klimaat.

Gehaktbalfundamentalisten

Tot slot nog een kijk- en een luistertip. Zondag met Lubach plaatst kiezen voor een groenere landbouw in het grotere plaatje van de pandemie. De enorme hoeveelheid dieren en mensen in ons land kan gevaarlijk zijn en leiden tot een nieuw virus, maar de lijsttrekkers blijven het maar hebben over de gehaktbal. Gehaktbalfundamentalisten, noemt Lubach ze.

En voor podcastliefhebbers: luister de meest recente aflevering van het Voedselkabinet terug, met als gast journalist Teun van der Keuken. Daarin komen de standpunten van de partijen uitgebreid aan het woord. ,,De vraag is: vind je dat er iets radicaal moet veranderen?” zegt een nog twijfelende Van der Keuken. ,,Als dat zo is, zijn er vier partijen die in aanmerking komen.” Waarvan er twee in de regering zaten. ,,Let wel even op de partijen die in het kabinet hebben gezeten. Hebben die zich er flink hard voor gemaakt?” Nee, is zijn conclusie. D66 krijgt nog het voordeel van de twijfel omdat kamerlid Tjeerd de Groot zich hard heeft gemaakt voor verandering. ,,Als je bedenkt dat de ChristenUnie op dat gebied de twee belangrijkste ministers geleverd, hebben ze het toch een beetje laten liggen.”

Presentator Samuel Levi nuanceert dat laatste, terugkijkend op een interview met minister Carla Schouten in december: ,,Je komt in een ongelofelijk ingewikkeld speelveld terecht met belangenbehartigers en boeren die het Malieveld oprijden. Zodat het heel ingewikkeld is om radicaal dingen anders te gaan doen. Dat is misschien ook bijna niet te doen. Maar ja, het maakt dus wel uit op wie je gaat stemmen. Want er zijn partijen die duidelijk zich uitspreken dat ze het anders willen.”

Ook enthousiast over de korte keten? Bekijk dan hier bij welke aanbieders je in jouw regio terecht kunt en bestel direct een proefpakket om de smaak van de korte keten zelf te ervaren!

Lokaal voedsel wordt niet alleen steeds populairder bij consumenten, maar ook bij organisaties in zorg en welzijn. Die letten steeds meer op gezonde en duurzame voeding van dichtbij voor hun patiënten, bewoners en medewerkers.

Kees Vermeer

De organisatie Diverzio richt zich sinds 2011 op gezond voedsel uit korte ketens voor de zorg, welzijn, overheid en onderwijs. Hiervoor worden regionale en landelijke programma’s opgezet met agrarische en voedselondernemers, overheden, verzekeraars en banken.

Zsuzsan Proos
Zsuzsan Proos

Diverzio heeft twee belangrijke programma’s zegt woordvoerder Zsuzsan Proos. In het regionale programma Gezonde Korte Ketens leren boeren, telers en kwekers om zichzelf aan klanten zoals zorginstellingen te presenteren. In het landelijke programma Duurzaam en Gezond aan Tafel zijn inmiddels meer dan 120 zorgorganisaties actief met gezonde en duurzame maaltijden waarvan de ingrediënten weinig kilometers hebben afgelegd. “Door gezamenlijke en lokale inkoop wordt bovendien minder voedsel verspild en kosten bespaard. De voedingswaarde van maaltijden neemt toe, hersteltijd en opnameduur van patiënten dalen en de kans op ondervoeding neemt af.”

Samenwerking met Local2local

Deze twee programma’s samen leveren veel mogelijkheden voor ondernemers in de korte keten. Deze zullen nog toenemen doordat Diverzio sinds begin dit jaar samenwerkt met Local2Local, een korte ketenorganisatie die werkt aan een duurzaam perspectief voor boeren en aan de relatie tussen burgers en boeren. “Korte voedselketens versterken die relatie,” zegt Proos. “Local2Local heeft op lokaal, regionaal en zelfs internationaal niveau een groot kennisnetwerk waarvan wij nu ook gebruik kunnen maken. Dit jaar werken we aan een gezamenlijk platform waarop ondernemers zich kunnen presenteren en potentiële afnemers lokale aanbieders kunnen vinden. Local2local is ook een van de initiatiefnemers van de Taskforce Korte Keten, de stichting die de ontwikkeling van regionale korte voedselketens ondersteunt.”

Hobbels

Ondernemers die zich op een andere manier willen gaan werken en bijvoorbeeld meer omzet willen halen uit korteketenverkoop, moeten volgens Proos wel hobbels over. Ze krijgen te maken met problemen rond betaalbare grond, wettelijk kaders, of financiering van de omslag naar duurzame landbouw. “Bij elke vernieuwing loop je aan tegen gevestigde zaken en partijen die niet meteen staan te springen om vernieuwing. Maar toch is er de duidelijke trend om voedselproductie regionaal in te richten. Regio’s hebben immers vaak een eigen couleur locale. Klanten en consumenten waarderen dat. Ondernemers hoeven niet allemaal zelf het wiel uit te vinden, want zij kunnen in netwerken profiteren van elkaars ervaringen. Met die kennis en hun eigen ideeën kunnen zij nieuwe verdienmodellen creëren. En in onze programma’s kunnen ondernemers leren hoe zij hun model of systeem aan de man kunnen brengen.”

Korte keten in de lift

Dat korte ketens in de lift zitten, blijkt ook uit recent gepubliceerde cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Nederlandse landbouwbedrijven behaalden in driekwart jaar (tweede kwartaal van 2019 t/m eerste kwartaal van 2020) ongeveer 1,5 miljard euro omzet uit korteketenverkoop. Dit is bijna een derde van de totale omzet van bedrijven die aan korteketenverkoop doen, hoewel dit inclusief de contractteelt voor supermarkten is. Het aantal landbouwbedrijven dat omzet uit de korte keten haalt, is gestegen van 10,5 procent in 2017 naar 13,7 procent vorig jaar. Het Westland staat met honderdtwintig bedrijven bovenaan de lange lijst van regio’s met verkoop via korte ketens. De regio Alphen aan den Rijn staat met achtenzestig bedrijven op de tiende plek.

Potentie

“Wij zijn blij met deze ontwikkelingen,” zegt Proos. “Het laat de potentie zien van korte ketens, ook voor de zorg. Ook de coronacrisis heeft dat onderstreept. Mensen kopen meer lokaal, mede met het oog op gezonde voeding en een gezonde leefstijl. Het belang daarvan is door de crisis alleen maar duidelijker geworden. Dat merken we ook binnen Diverzio. Regio’s als Rotterdam, Utrecht en Amsterdam zijn al ver met de ontwikkeling van korte ketens voor bijvoorbeeld zorginstellingen. Het was wel lastig dat we aan het begin van het jaar slechts beperkt zorginstellingen konden bezoeken vanwege de coronamaatregelen. Maar voor de zomer verwachten we weer te gaan starten met de programma’s in een aantal regio’s. We merken veel enthousiasme bij de deelnemers. Zij zien het belang om met dit positieve onderwerp aan de slag te gaan.”

Ook enthousiast over de korte keten? Bekijk dan hier bij welke aanbieders je in jouw regio terecht kunt en bestel direct een proefpakket om de smaak van de korte keten zelf te ervaren!

Wat is duurzamer? Een biologisch geteelde sinaasappel uit Argentinië of een regulier geteelde uit Spanje? Een tomaat van het land uit Frankrijk of eentje uit de kas van de boer om de hoek? En is een duurzaam product ook eerlijk gemaakt, met goede arbeidsvoorwaarden? En hoe goed is het product voor je gezondheid?

Kees Vermeer

Dat soort vragen staan centraal in het project Dichterbij Duurzaam Voedselpioniers, waar ze een manier bedenken om een totaalscore voor al die aspecten van duurzaamheid te berekenen. ‘Op basis van concrete vragen vanuit de korte keten gaan we samen met boeren, telers en consumenten een impact framework ontwikkelen. Daarmee willen we het begrip duurzaamheid zo compleet mogelijk in kaart brengen’, zegt projectleider Esther Audier. De initiatiefnemers werken toe naar een brede duurzaamheidsscore en een label of keurmerk voor producten.

Ook van korte keten initiatieven wordt vaak gezegd dat ze een ‘duurzamer’ alternatief bieden voor reguliere ketens. ‘Maar iedereen heeft daar een ander beeld bij’, vertelt Audier. ‘De een let vooral op voedselkilometers, CO2-uitstoot of energieverbruik, terwijl het voor de ander meer gaat over een eerlijke prijs, verspilling of dierenwelzijn. De vertaling van het begrip duurzaamheid naar een product is heel divers. Daardoor weten consumenten vaak niet precies wat ze kopen, zelfs als ze bewuste keuzes willen maken.’

Compleet beeld

Consumenten worden overladen met informatie, keurmerken en claims over duurzaamheid, terwijl dus lang niet altijd duidelijk is wat daarmee precies wordt bedoeld. Dat leidt tot scepsis bij de consument en een afzwakking van de term duurzaamheid. ‘Veel boeren, telers en aanbieders willen bovendien wel duurzame stappen zetten en daarover communiceren met het publiek’, zegt Audier. ‘Maar zij weten niet altijd hoe zij dat moeten aanpakken.’ 

Het impact framework, van initiatiefnemer Maarten Bouten (Rechtstreex), levert een breed beeld op van duurzaamheid met zoveel mogelijk relevante aspecten. Op basis daarvan kan een totaalscore op duurzaamheid worden gecommuniceerd bij producten die consumenten in de winkel, op een markt of in een webshop willen kopen. 

De voedselpioniers

Concreet betekent dit dat consumenten straks een icoontje met een duurzaamheidsscore bekijken op een product. Audier: ‘En omdat we het belangrijk vinden dat mensen kunnen zien hoe die score tot stand komt, willen we dat via een app, QR-code of op een website inzichtelijk maken. Zo kan men zien hoe een product qua duurzaamheid scoort op het niveau van productie, afzet en consumptie en op basis van welke aspecten. Hiermee onderscheidt het framework zich van veel andere richtlijnen en keurmerken. Die gaan vaak alleen over producenten en de manier waarop zij producten maken. Maar ook afzetpartijen en consumenten maken keuzes die kunnen bijdragen aan het verduurzamen van het voedselsysteem. Door alle drie de niveaus te betrekken in het impact framework proberen we van iedereen een actieve speler te maken.’

Praktijk is uitgangspunt

Bovendien wordt het impact framework, niet ‘vanachter de tekentafel’ ontworpen en daarna naar de praktijk gebracht, maar juist andersom: de ontwikkeling begint vanuit de praktijk. ‘Dat is ons uitgangspunt’, aldus Audier. ‘We vormen een netwerk met praktijkpartners die vaak letterlijk met de poten in de modder staan. We vragen hen welke aspecten van duurzaamheid relevant zijn en wat een zinvolle manier is om die te evalueren. Boeren, telers en aanbieders zijn er zo vanaf het begin bij betrokken. Voordeel van deze werkwijze is dat er meteen draagvlak voor het initiatief en dat we gevoeligheden, discussiepunten en tegenstrijdigheden in kaart kunnen brengen.’

Voor het impact framework, dat wordt gefinancierd door Natuur- en Milieufederatie Zuid-Holland (tevens initiatiefnemer van De Kortste Weg), de EU en de provincie Zuid-Holland, werd begin vorig jaar met de eerste groep praktijkpartners de basis gelegd. Deze groep is inmiddels meer dan verdubbeld en vormt een netwerk van mensen die het idee toepassen en doorontwikkelen. ‘We proberen een mix te maken van jonge en wat meer ervaren boeren en telers uit verschillende sectoren’, zegt Audier. ‘Zij testen het framework op hun eigen producten en die van andere lokale boeren, telers en aanbieders. Met hun feedback en input ontwikkelen we het verder. Voor analyses en evaluaties zoeken we nu ook de samenwerking met hogescholen en universiteiten. Op dit moment zijn er bijvoorbeeld studenten bij het project betrokken van onder andere de Haagse Hogeschool en de HAS Den Bosch.’ 

Proefversie

Dat werk leidde tot een proefversie, die met boeren en telers verder wordt ontwikkeld en onderzocht. Daarnaast worden de resultaten ervan visueel gemaakt in onder andere de webshop van Rechtstreex en op de markt van Lekkernassûh, het initiatief voor een duurzaam lokaal voedselsysteem in en rondom Den Haag. De komende tijd worden de eerste analyses en evaluaties van producten verzameld en bekeken. Zo hoopt Audier dat komend jaar bij een aantal verkooppunten al de eerste resultaten van de duurzaamheidsscore te zien is.

Mooie contacten

Op basis van het impact framework kunnen boeren, telers en aanbieders met het publiek communiceren over hun visie en inspanningen op het gebied van duurzaamheid. ‘Voor alle partijen die duurzaamheid belangrijk vinden, wordt het zo duidelijker waar we het met elkaar over hebben’, besluit Audier. ‘We zien in de loop van het project mooie contacten en interessante gesprekken ontstaan, bijvoorbeeld tussen boeren en telers uit verschillende sectoren die gezamenlijk naar het begrip duurzaamheid kijken. We brengen in kaart over welke aspecten consensus bestaat en waar de meningen over verschillen. Alleen al het voeren van deze gesprekken is een waardevolle stap om verder te komen.’ 

Toevallig is de EU ook bezig met een duurzaamheidslabel. Dat zou maar zo in de wielen van het framework kunnen rijden? Audier vindt van niet: ,,We zien het als een teken dat de tijd rijp is om met dit onderwerp bezig te zijn, niet als een reden om ervan af te zien.” Eerder nog is het een extra stimulans, zegt ze: “Hoewel het vanwege de schaal waarop het uitgerold kan worden interessant is als er iets op Europees niveau wordt ontwikkeld, zijn er een belangrijke voordelen aan een lokaal, bottom-up initiatief. Door boeren en telers direct deel te laten uitmaken van het ontwikkelen van het framework, voorkomen we dat het idee dat er weer iets van ‘bovenaf wordt opgelegd’ voor een sector die toch al onder druk staat. En al helemaal als dat vanuit Europa / Brussel gebeurt.”

Ook enthousiast over de korte keten? Bekijk dan hier bij welke aanbieders je in jouw regio terecht kunt en bestel direct een proefpakket om de smaak van de korte keten zelf te ervaren!

Terwijl veel boeren protesteren om hun manier van werken zoveel mogelijk te behouden, vormen Mattias en Coriene Verhoef hun melkveebedrijf in Brandwijk juist om tot iets heel anders. Ze doen mee aan het ene na het andere onderzoeksproject om op een veel natuurlijkere manier te boeren.

Kees Vermeer

Het begon een paar jaar geleden met voorzichtige stapjes richting natuurlijker boeren: minder kunstmest en minder bestrijdingsmiddelen. Dat beviel. “Vroeger had ik er buikpijn van als ik onkruid aan het wegspuiten was. Dat heb ik nu niet meer.” Dus werd het doel biologisch boeren. Maar ook dat bleek niet genoeg. Inmiddels heeft het bedrijf vleermuizen die helpen insecten te bestrijden en een veel diversere begroeiing. Maar ze willen meer. Zo denken ze aan tiny houses voor gasten op het bedrijf en doen de Verhoefs mee aan een proeftuin om ammoniakuitstoot en bodemdaling te beteugelen, en een project om het grondwaterpeil te verhogen. Voor zichzelf heeft Mattias zo in ieder geval een ding al gewonnen: “Ik werk nu met veel meer plezier.”

Mattias Verhoef

Mattias is geboren en opgegroeid op de boerderij in Brandwijk en samen met Coriene nam hij deze in 2016 over van zijn ouders. Het bedrijf telt momenteel circa honderd koeien en zo’n vijftig hectare biologisch landgoed. Daarnaast hebben ze circa vijfendertig hectare natuurgrond van Staatsbosbeheer en het waterschap in beheer. Deze natuurgrond levert ook voeding voor de koeien, lekker dichtbij. 

Ze sloten zich aan bij Proeftuin Veenweiden, waarbinnen maatregelen worden onderzocht om ammoniakemissie en bodemdaling te verminderen en waterkwaliteit te verbeteren. “We werden ons meer bewust van de gevolgen van de traditionele manier van boeren. Als ik bijvoorbeeld bestrijdingsmiddelen gebruikte, realiseerde ik me dat ik ook insecten doodde. We vroegen ons af of het ook anders kan. Bijvoorbeeld door geen kunstmest te gebruiken of meer kruiden in het weiland te laten groeien. We gingen steeds meer de biologische kant op. Na een bijeenkomst met andere boeren die nog wel traditioneel werkten, realiseerde ik me dat ik dat niet meer wilde. Toen besloten we om helemaal biologisch te gaan werken.” In oktober 2019 was het zover en levert het bedrijf officieel biologische melk.

Meer erfbeplanting
Die omslag is sindsdien een voortdurend proces. Mattias en Coriene zijn inmiddels ook lid van Den Hâneker: de vereniging Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer Alblasserwaard en Vijfheerenlanden. Ze nemen deel aan de projecten Boer zoekt Vleermuis en Agrarische Bedrijven in het Groen, vertelt Mattias. “De vereniging zet zich onder andere in voor meer erfbeplanting met inheemse bomen en struiken. We wilden al langer een boomgaard en bloeiende struiken en kruiden, want dat trekt bijen en insecten en vergroot de biodiversiteit. We wilden ook graag meer vleermuizen, die vliegen in de stal kunnen bestrijden. Zo werken we aan natuurlijke bestrijding in plaats van chemische. Dat past goed in onze keuze voor biologisch en helpt bij de omschakeling naar kringlooplandbouw. We hebben vleermuiskasten opgehangen en onderzoeken ook hoeveel en welke vleermuizen we op de boerderij hebben.”

Ook hebben Mattias en Coriene zich aangemeld voor Valuta voor Veen, een landelijk project van de natuur- en milieufederaties. Veengrond veroorzaakt jaarlijks circa 4 procent van de CO2-uitstoot in Nederland. Dat kan worden verminderd door verhoging van het grondwaterpeil, waardoor veen minder oxideert. Eigenaren van de veengrond kunnen deze vermindering van CO2-uitstoot in de vorm van CO2-certificaten verkopen aan bedrijven, overheden en burgers die vrijwillig hun CO2-uitstoot willen voorkomen. Agrariërs hebben via Valuta voor Veen dus extra inkomsten en dragen bij aan het halen van de klimaatdoelen. Positieve effecten zijn bovendien het tegengaan van bodemdaling, meer biodiversiteit en behoud van cultuurhistorisch veenweidegebied. 

Voor Mattias is deelname aan het project financieel gunstig, maar hij wil vooral graag meedoen vanwege de verwachte toename van biodiversiteit. “Zeker met een hoger waterpeil wordt dat makkelijk geborgd. Alles moet nog worden geregeld, maar van het waterschap heb ik begrepen dat een verhoging van twintig tot dertig centimeter mogelijk is. Ik denk dat de biodiversiteit daar veel baat bij heeft. Maar kunnen we het water op peil houden in droge zomers? Moeten we in de winter veel water opslaan? En hoe en wanneer start de bodem op na de winter? Dat zijn aspecten waar ik wel nieuwsgierig naar ben.”

Niet eenvoudig
De stap naar biologisch boeren is niet eenvoudig, vindt Mattias. Het is wennen om helemaal op een andere manier te gaan werken. “Bijvoorbeeld de grasopbrengst is gedaald van circa veertien naar acht ton doordat we geen kunstmest meer gebruiken. Met kunstmest hoeft de bodem niet actief te zijn, en als je daar ineens mee stopt moeten de natuurlijke processen via de bodemorganismen weer op gang komen. Dat duurt een paar jaar. De opbrengst herstelt deels wel weer als de bodemvruchtbaarheid toeneemt, maar de periode daartussen moet je kunnen opvangen. We moesten bijvoorbeeld biologisch voer voor de koeien kopen en dat is vrij duur. Bovendien kunnen niet alle koeienrassen tegen zo’n plotselinge verandering.”

Mattias realiseert zich dat zijn aanpak tamelijk extreem is: “Wij doen veel tegelijk. Dat maakt het niet makkelijker, maar daardoor gaan wij wel sneller dan wanneer we het in stapjes zouden doen. Ik heb contact met andere bioboeren en we stimuleren elkaar met ideeën, tips en adviezen.”

Tiny houses op het erf
Voor de toekomst denken Mattias en Coriene aan bijvoorbeeld tiny houses op het erf waar mensen in kunnen verblijven. Dat draagt bij aan kortere ketens en versterkt het contact met andere mensen. “Maar voor nu willen we vooral verder met de lopende projecten. We willen toe naar een gesloten kringloop, waarin we bijvoorbeeld geen krachtvoer meer nodig hebben voor de koeien.”

Mattias is blij dat hij met Coriene de stap heeft gezet naar biologisch werken. Het heeft hen veel gebracht: “We zien hoe mooi de natuur in elkaar zit en we zijn ons veel meer bewust van onze omgeving. Ik werk nu met veel meer plezier.” “Het is heel bijzonder om in het veld te lopen terwijl de insecten om je heen vliegen. Ook de bodem is veel gezonder en beter doorlaatbaar. Veel problemen van vroeger zijn gewoon opgelost, terwijl je daar niets voor hoeft te doen. Sterker nog, het lukt juist doordat je minder doet. Er zijn helemaal geen kunstgrepen nodig om alles goed te laten gaan.”

Ook enthousiast over de korte keten? Bekijk dan hier bij welke aanbieders je in jouw regio terecht kunt en bestel direct een proefpakket om de smaak van de korte keten zelf te ervaren!

Boerderij Het Lansingerland in Bergschenhoek is eigenlijk al lang geen gewone boerderij meer. Het melkveebedrijf huisvest nu ook een kinderdagverblijf, een buitenschoolse opvang, horeca, zaalverhuur, een boerderijwinkel en een camping met farm safari. De uitbaters, Peter Gille en zijn vrouw Annigje, zijn nog lang niet klaar.

Kees Vermeer

Gille en zijn vrouw willen met name het zorgaspect gaan uitbouwen. Hij neemt daarom deel aan het landelijke initiatief Boerenversneller. “Binnen tien jaar hoop ik mijn bedrijf te kunnen omvormen tot een zorglandgoed.”

De Boerenversneller is een traject waarin boeren van verschillende pluimage worden begeleid in het zoeken naar innovatiemogelijkheden binnen hun bedrijf. Iedereen kan meedoen, van een oesterzwammenkweker of geitenhouder tot pluimveebedrijf of gemengde bedrijven. 

Peter Gille

Kansen en gereedschappen
“De versneller-methode wordt veel gebruikt bij startups in de technologie en ICT”, legt Gille uit. “Het programma komt dus niet uit de landbouw maar is daar nu wel voor opgezet. Het biedt kansen en gereedschappen om je agrarisch bedrijf verder te ontwikkelen binnen je eigen visie.”

Begeleiding gebeurt onder andere door coaches. Die komen veelal van buiten de agrarische sector. “Dat vind ik positief: doordat zij weinig weten van onze sector, kijken zij met een andere, frisse blik naar je bedrijf en de bedrijfsvoering. Ik denk dat veel veehouders en landbouwers in Nederland dat zouden kunnen gebruiken.”

Deelnemers bellen ook elkaar via een peer-to-peer systeem. Ook dat geeft nieuwe inzichten, vindt Gille. “Helaas is vanwege corona fysiek contact nu lastiger. Er stond recent bijvoorbeeld een gezamenlijke fietstocht gepland langs duurzame ondernemers rond Amsterdam, die bezig zijn met bijvoorbeeld stadslandbouw, innovatieve voedselproductie of het vermarkten van hun producten. Veel mensen zijn bezig met andere manieren van denken en werken. Dat geeft mij handvatten om het anders te gaan doen met mijn melkveebedrijf.”

Grote rol voor zorg
De Boerenversneller is een initiatief van Food Hub, gespecialiseerd in het begeleiden van innovatie- en veranderingstrajecten in de wereld van voedsel en landbouw. Daarbij worden koplopers en veranderaars ingezet uit alle schakels van de voedselketen, van boer tot beleidsmaker en van detailhandelaar tot ondernemer. Met als missie het aanjagen van de transitie naar een eerlijk, gezond en duurzaam voedselsysteem. In 2019 was de eerste ronde van de Boerenversneller, dit jaar startte de tweede ronde. Beide rondes tellen veertien deelnemers.

Gille heeft al voor ogen waar hij naartoe wil: een landbouwbedrijf dat past bij de omgeving, met respect voor de natuur en met maximale openheid over de manier van produceren. Vooral het zorgaspect speelt een grote rol in de plannen: “Wij willen plaats bieden aan mensen met een beperking en aan leerlingen in het voortgezet speciaal onderwijs. Heel recent zijn we samenwerking aangegaan met een VSO-school. Een leraar van de school gaat op ons bedrijf een dag per week lesgeven aan drie leerlingen. Dit hopen we de komende jaren uit te breiden naar twee klaslokalen, waarbij een aantal leerlingen binnen het bedrijf aan het werk zijn. Zij krijgen les in groen, zorg en welzijn, horeca, facilitaire dienstverlening en techniek. Daarnaast zijn we bezig met een nieuw pand voor extra kinderopvang en ook dagbesteding voor ouderen met dementie. Het ‘spoorboekje’ voor de komende tien jaar hebben we al grotendeels in ons hoofd. De Boerenversneller helpt bij het verbeelden en uitwerken daarvan.”

In de bankschroef
Maar intussen moet het bedrijf wel blijven draaien. Dat vraagt soms keuzes die misschien niet helemaal ‘in het plaatje passen’. Dat komt vooral door relatief hoge financiering op dit moment. “De keuze voor natuurinclusief boeren betekent vrijwel altijd dat je rendement eerst daalt”, weet Gille. “Banken willen dat niet altijd. Bijvoorbeeld grond kopen om te extensiveren wordt vaak niet gefinancierd. Daar maak ik me wel zorgen over. Het min of meer gedwongen rendementsdenken staat verandering in de weg.” Door te ‘extensiveren’ gebruikt een boer meer grond per dier, wat beter is voor grond, dieren en milieu.

“Het rendementsdenken staat verandering in de weg.”

Peter Gille

Ondanks zijn wens om te extensiveren, is Gilles veestapel afgelopen jaar gegroeid van 100 naar 140 koeien. Dat is echter een bewuste keuze geweest om de transitie van zijn bedrijf mogelijk te maken: “Als je niet goed draait en er is geen geld, kun je ook niet veranderen. In de economie heet dat punt de valley of death. Daar moet je doorheen. Daarom wil ik eerst olie in de machine, om daarna verder te kunnen veranderen. En daarom is een langetermijnvisie nodig. Want dan kun je onderweg wijde bochten maken. Daarom gaan we nu maximaal melken, tot het moment dat we alles rond hebben en kunnen gaan schakelen.”

Op boerderij Het Lansingerland gebeurt dus veel. Toch voelt Gille zich bovenal boer. “Mijn boerenbedrijf maakt me wie ik ben. Het zorgt ervoor dat we ons verbonden voelen met de aarde, de seizoenen en het leven. We kijken in dankbaarheid naar wat de natuur ons brengt. En we zien met verwondering wat de natuur buiten onze bemoeienis om allemaal regelt. Die kennis en beleving willen we uitstralen met onze boerderij.”

Boeren met niet-boeren
Volgens Yvonne Faber van Food Hub ligt er, al dan niet terecht, veel maatschappelijke druk op de agrarische sector: “De wereld verandert snel. Daarom willen veel boeren hun bedrijfsvoering innoveren, maar soms weten zij nog niet hoe. De Boerenversneller is onderdeel van De Nieuwe Boerenfamilie, waarin wij boeren in contact brengen met bijvoorbeeld uitvinders, architecten, marketeers, chefkoks, bankiers of ontwerpers. Samen gaan we op zoek naar haalbare, logische en duurzame innovaties in het boerenbedrijf. Afhankelijk van de specifieke vraag van de boer, brengen we hem of haar in contact met experts, coaches en niet-boeren zodat zij samen slimmer kunnen gaan boeren. Het samenbrengen van boeren en niet-boeren leidt tot mooie resultaten en initiatieven.”

Over het aspect van financiering van boeren zegt Faber: “Dat kan een onderdeel zijn van de ondersteuning. We kunnen bijvoorbeeld zoeken naar alternatieve vormen van financiering. Dat kan een investeerder zijn of een model waarin de consument betrokken wordt. De mogelijkheden zijn er, soms moeten ze alleen nog wat meer vorm krijgen. Samen met de boeren willen we ontdekken waar hun mogelijkheden liggen en hen zoveel mogelijk op maat ‘versnellen’.”

Ook enthousiast over de korte keten? Bekijk dan hier bij welke aanbieders je in jouw regio terecht kunt en bestel direct een proefpakket om de smaak van de korte keten zelf te ervaren!

De Dutch Food Week ziet er door corona anders uit dan normaal. De planning veranderde zelfs vorige week nog, door de aangescherpte coronamaatregelen. Daardoor zal er van 10 tot 17 oktober toch geen Rotterdamse markt zijn met kraampjes van de deelnemers. En de door het hele land verspreide activiteiten die doorgaan, vinden in aangepaste vorm plaats. 

Sammy Shawky

“We gaan heel veel activiteiten virtueel doen”, vertelt Dutch Food Week-voorzitter Dirk Duijzer. Zo wordt de week afgetrapt via een livestream en zullen er op de website filmpjes met interviews en demonstraties te zien zijn. Ondanks het schrappen van de grote markt, is er volgens de organisatie ook nog genoeg offline te beleven. Zo is er een kleine markt in De Bil en kun je bramen plukken in Drenthe of ‘loeren bij de boeren’ in Hedel. 

Voedsel weer waarderen
Het programma ziet er niet alleen door corona anders uit, ook de nieuwe voorzitter heeft een aantal wijzigingen doorgevoerd. Duijzer wil zich met de week meer gaan richten op de landbouw en de voedingssector in Nederland en op Nederlandse consumenten. “We willen mensen lekkere producten uit eigen land laten proeven, zodat ze zien dat eten gezond en gezellig kan zijn”, zegt hij. 

We willen mensen lekkere producten uit eigen land laten proeven”

Dutch Food Week-voorzitter Dirk Duijzer

“Vers voedsel is belangrijk, daar willen we mensen weer bewuster van maken.” Consumenten zijn dat volgens Duijzer tegenwoordig een beetje kwijtgeraakt, en betalen daardoor ook geen goede prijs voor voedsel. “Wij geven maar zo’n 10 procent van ons inkomen uit aan eten, terwijl dat in sommige landen wel 50 procent is. We moeten ons voedsel dus weer leren waarderen.” 

Voorzitter Dirk Duijzer

800 kilometer
Als het aan Duijzer ligt gaan we meer lokaal eten. “Hoe dichterbij je een product koopt, hoe betrouwbaarder het is en hoe beter je de duurzaamheid kunt waarborgen”, zegt hij. Daarom voert hij achter de schermen gesprekken met allerlei partijen, ook vanuit zijn rol als directeur van de topsector Agri&Food. “Soms zijn die gesprekken best spannend, want het raakt bedrijven echt. Maar het besef dat een kringloop belangrijk is neemt wel toe.” 

Duijzer erkent dat een korte kringloop niet voor alle producten is weggelegd. “Sommige producten verschepen we heel ver omdat ze hoogwaardig zijn, zoals babypoeder of zaaigoed.” Maar de meeste producten zou hij het liefst niet verder dan 800 kilometer verschepen. “Dat is de afstand die een vrachtwagen op een dag kan rijden.” Volgens hem zijn al veel boeren bezig met het maken van kortere kringlopen. “Iedereen die nadenkt over dat soort stapjes juich ik toe.” 

“Hoe dichterbij je een product koopt, hoe betrouwbaarder het is en hoe beter je de duurzaamheid kunt waarborgen”

Dutch Food Week-voorzitter Dirk Duijzer

Boerenprotesten
Kortere kringlopen kunnen volgens Duijzer niet alleen bijdragen aan meer duurzaamheid, ze zouden ook kunnen zorgen voor betere marges voor boeren. “Bij de boerenacties gaat het vaak over de marges in de keten, dat staat nu echt hoger op de agenda”, zegt Duijzer. “Als boeren bij hun productie ketens ertussenuit halen, dan kunnen er ook kosten tussenuit en stijgen de marges.” En daarbij hoeft niet gekozen te worden tussen kosten of duurzaamheid, want dat kan volgens de voorzitter hand in hand gaan. 

Foto Jeroen van der Wielen

“Ik hoop dat deze week bijdraagt aan het besef dat voedsel belangrijk is, en dat het iets kost”, zegt Duijzer. “In Nederland is er dichtbij veel goed eten te vinden en ik zou het leuk vinden als mensen en kinderen zich dat meer beseffen.” 

Ook enthousiast over de korte keten? Bekijk dan hier bij welke aanbieders je in jouw regio terecht kunt en bestel direct een proefpakket om de smaak van de korte keten zelf te ervaren!