De Kortste Weg

Het gaat goed met Kievitamines, de Zuid-Hollandse leverancier van lokale biologische voedselpakketten. Zeer goed zelfs. Maar de 3.500 abonnees die de dienst nu heeft, is voor oprichter Sebastiaan Bos niet genoeg: “we gaan het overdragen”.

Wouter van Wijk

Bos begon allemaal 25 jaar geleden. “Toen ik klaar was met de tuinbouwschool, dacht ik: ik heb nu een diploma, hoe kom ik in godsnaam aan een plek? Toen vroeg een vriend van me, Maarten, of ik kon helpen bij zijn teeltbedrijfje. We zaten in een omgebouwde caravan met een stuk grond in Dwingeloo, in Drenthe. Het was koud en de eerste vijf jaar hadden we gewoon schrijnende armoede. We zaten op bijstandsniveau, maar wel 80 uur per week aan het werk!” 

Sebastiaan Bos

Ze hadden groenten over. Bos besloot een advertentie te zetten in Leiden, waar hij woonde. ‘Biologische groenten van eigen tuinderij, aan huis bezorgd, vraag de folder aan.’ Bos: “Dat speelde in 1996. Echt een andere tijd. Nog geen internet en bijna niemand kon verse biologische groenten thuisbezorgen.” Toch was de behoefte er zeker: “Veel meer mensen belden dan we verwacht hadden. We konden de vraag bijna niet aan!” Kievitamines was geboren.

Het was voor Bos ook een soort persoonlijke strijd: “Op de middelbare school had ik wel moeite om in het systeem aan te sluiten, ik onderpresteerde behoorlijk.” Wat hem op school in de weg zat, kwam juist van pas bij Kievitamines. “Laat mij mijn eigen systeem maar bouwen. Dat is een manier van werken die mij ligt.”

Bos deed het anders, en doet dat nog steeds: “Veel bedrijven werken nog steeds vanuit het land. Dan zie je vaak pakketten die mensen niet altijd willen. Ik ben begonnen met de klantenkring, daarna kwam het land pas. We denken veel meer vanuit een concept. We zijn niet zomaar het volgende voedsel-abonnement-bedrijf”

Despecialiseren

Zo wil Bos zich per se niet specialiseren: “We zijn een generalistisch bedrijf. We telen van alles. Vrijwel alle boerenbedrijven zijn tegenwoordig specialisten. Ze telen heel veel van hetzelfde. We staan daarom wel echt ver van de gemiddelde boer af. Ons concept zal ook weinig boeren aanspreken, die zijn meestal enorm gemechaniseerd en kunnen niet doen wat wij doen.” 

Juist het gebrek aan mechanisatie is voor hem een voordeel: “We zijn ontzettend lief voor de grond. Het bewerken doen we vooral met de hand. Met de grelinette bijvoorbeeld.” Dat is een soort hooivork waarmee je de grond diep kunt beluchten, zonder het leven onder de grond, zoals de wortels en wormen, te beschadigen.

Grondbewerken met de grelinette

“Bij ons zit er veel leven in de bodem, veel meer dan wanneer je er met een grote trekker over rijdt en zo alles plat stampt. Dat zie je ook aan de grond en de groenten en het komt terug in de resultaten van de bemonstering. Er zit veel meer leven in, veel meer micro-organismen dan in de meeste landbouwgrond. Daar heeft een bodem dan wel vulling, maar geen voeding. Wij kopen voor 1.000 euro aan gesteentemeel. Dat verdeel ik over het land. Met als resultaat meer mineralen in de grond en dus in de groente.”

Onafhankelijk

Kievitamines is ook niet afhankelijk van andere partijen. Erg belangrijk volgens Bos: “We telen niet voor de veiling, maar direct voor de consument. Dat merk je. Boerenkool wordt bijvoorbeeld meestal als hele grote plant geteeld. Dat past niet in ons pakket. Dus dat doen we niet.” Het voordeel is groot: “Bij ons duurt het maximaal twee dagen van land naar klant. Bij de normale logistiek duurt het zo een week.”

Kievitamines voedselpakket

De onafhankelijkheid biedt meer voordelen: “We hebben nu met een brandstofcrisis tot en met. Daar hebben wij weinig last van, we hebben het vanuit ons DNA op orde, want we zitten altijd tegen de bebouwde kom aan. We kiezen bewust dat onze klantenkring niet meer dan 25 kilometer om ons heen zit. Ik ken ook lokale bedrijven die landelijk willen werken. Dat willen wij niet.”

Toekomst

“We zijn wel iets aan het neerzetten dat je ook kunt overdragen. Dat wil ik op termijn ook. Het resultaat is nu al veel beter dan ik ooit heb gedacht!” Om Kievitamines echt uit te breiden, wil hij wel anders werken: “In de toekomst willen we klanten uitnodigen om te investeren. Dan krijg je een heel andere financiële kracht.” Hij hoopt op die manier het concept op veel meer plaatsen te kunnen uitvouwen. De tijd is er wel rijp voor. Crowd-funding is populair, zeker ook in de biologische teelt en de korte keten. “Ik wil echt een alternatief bieden voor al die verkokerde teeltvormen.”

Ook enthousiast over de korte keten? Bekijk dan hier bij welke aanbieders je in jouw regio terecht kunt en bestel direct een proefpakket om de smaak van de korte keten zelf te ervaren!

Sinds een paar jaar lijkt de nostalgie naar het ‘oude Nederland’ op social media en in de politiek te groeien, ook op het platteland. Nu de Milieufederatie Zuid-Holland op 19 april 50 jaar bestaat roept het de vraag op hoe het boerenbedrijf de laatste halve eeuw eigenlijk is veranderd.

Kees Vermeer

De milieufederatie ontstond begin jaren zeventig. Toevallig of niet in de tijd dat boerenbedrijven grote veranderingen doormaakten. Die werden vooral veroorzaakt door een moderniseringsgolf op het platteland. Daarbij was de zogenaamde ruilverkaveling leidend, een grondruil om te zorgen dat boerenbedrijven efficiënter konden werken. Het resultaat was inderdaad een efficiëntere boer, maar het zorgde ook voor grote beroering. In Nederland uitte het boerenprotest zich vooral in het Twentse Tubbergen. Daar stonden de boeren op tegen de ruilverkavelingswet in maart 1971. Later die maand betoogden honderdduizenden boeren uit zes landen in Brussel tegen de hervormingsplannen van de Europese landbouw. Landbouwcommissaris Sicco Mansholt wilde daarmee een eind maken aan de enorme productieoverschotten. Tegelijk wilde hij meer mechanisatie, modernere boerenbedrijven en grotere stallen. En er waren volgens hem veel te veel boeren: van de tien miljoen boeren in de toenmalige EEG moest de helft verdwijnen. Ondanks de protesten werden zijn plannen werkelijkheid. Veel bedrijven stopten of fuseerden.

Kleine bedrijven stopten
Ook Zuid-Holland ontkwam niet aan de modernisering en de ruilverkaveling. Zo herinnert de 84-jarige Jan Zevenbergen uit Numansdorp zich de grote verandering in zijn werk nog goed. Hij was destijds fruitteler, met name van appels en peren. “Kleine bedrijven zoals gezinsbedrijven waren niet langer levensvatbaar. Daarom stopten die ermee. Bedrijven die konden en wilden doorgaan werden groter door de ruilverkaveling. Feitelijk is in de jaren ’70 de basis gelegd voor de precisielandbouw. In de akkerbouw, veehouderij, tuinbouw: overal werd gemechaniseerd.”

Jan Zevenbergen, ruim dertig jaar geleden

Het bedrijf van Zevenbergen was niet groter dan wat minimaal nodig was om een boterham te kunnen verdienen. Dat gold destijds voor vrijwel alle bedrijven. Het melken van koeien gebeurde nog handmatig, en de limiet voor het aantal koeien was wat de boer plus boerenknecht en eventueel ‘boerenmeid’ konden melken. “Boeren hadden ongeveer veertig koeien. Dat is nu veel te weinig om van te bestaan. Efficiëntie en mechanisatie hebben geleid tot veel minder agrarische bedrijven. Ik denk dat het aantal vanaf toen met driekwart is gedaald.”

Een bijkomende factor was dat veel arbeidskrachten uit de agrarische wereld vertrokken naar de havens of industrie. Aanvankelijk werd personeel vanuit bijvoorbeeld Brabant aangetrokken, maar daar voltrokken zich dezelfde veranderingen. Dus mechanisatie was onontkoombaar. “Vroeger gingen we met een ladder de bomen in, maar dat is veel te arbeidsintensief. Het ging steeds meer om efficiëntie en maximale opbrengst. Wij waren tevreden met veertig ton peren of appelen per hectare. Nu is dat ongeveer het dubbele.”

Piet Duijndam

Varkens tussen de koeien
Ook het melkveebedrijf van Piet Duijndam in Delft telde aanvankelijk zo’n 45 koeien. Het bedrijf lag halverwege Delft en Rotterdam, pal naast de snelweg A13. Na het overlijden van zijn vader zette Duijndam als 17-jarige jongen het bedrijf voort. Eerst met zijn moeder en later met zijn broer. Er was dertig hectare land en de broers hadden uiteindelijk zo’n 65 koeien. “En ook een aantal varkens. Dat was toen heel gebruikelijk op een boerderij.”

Nadat in de jaren zeventig de ligbox-stal opkwam, bouwde Duijndam er in 1983 een op zijn erf. De stal maakte het werk efficiënter, terwijl de koeien vrij konden rondlopen en eten wanneer ze dat willen. Een jaar later werd er tot zijn schrik de zogenaamde ‘superheffing’ ingevoerd. Die had te maken met de melkquota die destijds zijn ingevoerd omdat in de Europese Unie veel meer melk werd geproduceerd dan geconsumeerd. Daardoor ontstonden de zogeheten melkplas en boterberg. De superheffing was een heffing over de melk die boven het quotum werd geproduceerd. Gelukkig liep het voor Duijndam met een sisser af: “We zagen daar flink tegenop maar het heeft uiteindelijk goed uitgepakt. We kregen een betere melkprijs en die bleef ook constant vanwege de superheffing. Maar later kwam er een fosfaatheffing en nu is er de stikstofproblematiek, dus het werk is er niet makkelijker op geworden.”

Ook veranderde het transport de melk flink. De melkbussen maakten zo’n vijftig jaar geleden langzaam plaats voor koeltank en melktankwagens. De zeer beperkte houdbaarheid van melk was altijd een zwak punt. De niet-gekoelde melk moest nog dezelfde dag op de fabriek zijn. In streken ver van steden werd melk daarom vrijwel altijd tot kaas verwerkt op de boerderij. In de jaren ’60 kwam het machinaal melken op en daarna de melkkoeltank. Rauwe melk kon daardoor ineens over langere afstanden worden vervoerd, waardoor boeren flexibeler werden en er minder melk verloren ging. 

Als grootste verschil met een halve eeuw geleden noemt Duijndam vooral de grootte van boerenbedrijven. Hijzelf kon met zijn broer goed draaien met 65 koeien. “Nu heb je 80 tot 90 koeien per man nodig. Veel gaat automatisch en boeren moeten hoge kosten maken. Ook uitbreiden kost heel veel geld. Voor iedere koe die je meer wilt melken, moet je duizenden euro’s fosfaatrechten betalen. Dat kan financiële zorgen geven. In mijn tijd was het geen probleem om er bijvoorbeeld tien koeien bij te nemen. Maar wij waren niet zo bezig met groei van het bedrijf. We konden er goed van leven en dat was wel prima zo.”

De melkkoeien van Duijndam op een oude foto

Nauwelijks directe verkoop
Verkoop aan lokale bedrijven of particulieren gebeurde nog nauwelijks, vertelt Duijndam. Hij verkocht soms wel wat melk aan mensen van bijvoorbeeld Turkse komaf. “En voor biest hadden we een aantal Surinaamse klanten. Veel Surinamers hadden een boerenafkomst en zij hielden erg van biest. Dus als een koe had gekalfd, hadden we altijd wel een paar mensen die we konden bellen. Maar winkeltjes bij boerderijen waren er nog niet.” Melk ging vrijwel direct naar een coöperatieve zuivelfabriek, zoals Graafstroom in Bleskensgraaf (later Melk-Unie Holland en tegenwoordig Campina). Directe verkoop zou een andere bedrijfsvoering vragen, en dat was voor boeren niet haalbaar. Bovendien moest melk worden gepasteuriseerd, dus het mócht zelfs niet direct naar de consument.

Fruitteler Jan Zevenbergen herkent dat beeld. Hij verkocht zijn producten via een coöperatieve Groente- en Fruitveiling. Rechtstreekse verkoop aan consumenten gebeurde volgens hem nauwelijks. “Een enkeling deed dat, maar dat vroeg aanpassingen voor koeling en opslag.” 

Boerderijkaas werd eveneens niet direct aan consumenten of de detailhandel geleverd. Kaasboeren hebben in het verleden wel gestreden voor een betere positie ten opzichte van handelaren. Al sinds 1915 bestaat de Coöperatieve Producenten Handelsvereniging ‘de Producent’ in Gouda, met vanaf de jaren ’60 boerenkaas als belangrijkste sector. In 1975 was de introductie van plastic kaascoating en een koelinstallatie, waardoor de kaaskwaliteit aanzienlijk verbeterde. De Producent bestaat nog steeds en heeft sinds enkele jaren een duurzaam pakhuis in Moordrecht.

Kwaliteit en natuur
Alle veranderingen mochten niet ten koste gaan van de kwaliteit. Dat gold voor zowel producten, van melk en fruit tot aardappelen en suikerbieten, als voor bijvoorbeeld de bewerking van de bodem. Producenten werden volgens fruitteler Zevenbergen afgerekend op kwaliteit. “Dat stimuleerde hen om het góed te doen. Via ruilverkaveling probeerden velen om percelen te krijgen die pasten bij hun bedrijf.” 

Er waren in die tijd al veel regels vanuit de overheid voor agrarische bedrijven. Bijvoorbeeld over gewasbescherming. Maar sommigen namen de regels niet zo nauw, vertelt hij. “Soms werd iets meer gespoten om insecten weg te krijgen uit de bomen of de kassen. En kunstmest kwam wel eens in het oppervlaktewater, maar niemand zei daar iets van. De waterkwaliteit in de poldersloten was toen veel minder dan nu.” Als reactie daarop, en op andere milieuproblemen, ontstonden toen de eerste milieugroepen.

Maar veel boeren zagen dat ook, zegt Zevenbergen: “Er kwam wel meer bewustzijn over het milieu en werkomstandigheden, met name bij de jongere boeren en telers. Je moet zorgen voor producten die veilig genoeg zijn om zelf aan je kinderen te kunnen geven.” 

Ook voor Duijndam is het eigenlijk alleen maar logisch om bezig te zijn met duurzaamheid en het milieu. Dat was voor hem niet meer dan vanzelfsprekend: “Je werkte met de natuur mee. Er kwam op een gegeven moment subsidie voor bijvoorbeeld het knotten van bomen, maar dat deden wij al vanuit onszelf. We letten ook op weidevogels en biodiversiteit. We hadden toen overigens nog geen last van ganzen in de weilanden. Die zijn nu een plaag, waar te weinig aan wordt gedaan. Al die ganzen zijn voor de weidevogels niet gunstig.”

Ook enthousiast over de korte keten? Bekijk dan hier bij welke aanbieders je in jouw regio terecht kunt en bestel direct een proefpakket om de smaak van de korte keten zelf te ervaren!

Steeds meer mensen kopen hun voeding in biologische speciaalzaken, blijkt uit een recent rapport van BioNext Nederland. Maar er valt nog een wereld te winnen, want het marktaandeel van biologisch voedsel in de Nederlandse supermarkten blijft rond de drie procent hangen. Flink minder dan in Europese koplopers als Denemarken (12,1%), Zwitserland (10,4%) en Oostenrijk (9,3%). Roosmarijn Saat, supermarkteigenaar en bestuurslid van BioNext, wijst naar de prijs als grootste boosdoener. Maar dat is niet het enige.

Kees Vermeer

Saat is eigenaar van de biologische supermarkt Gimsel, in het centrum van Rotterdam. Haar winkel deed het in 2020, met een omzetgroei van 15 procent, erg goed. Maar Saat ziet ook dat nog veel stappen nodig zijn. “De prijs blijkt voor veel mensen nog een drempel om biologische producten te kopen. Maar met biologisch zorg je op alle fronten voor verbetering van onze hele leefomgeving.”

Verschillende crisissen
“Maar er zijn nu verschillende crisissen tegelijk aan de gang. Niet alleen corona maar ook stikstof, het klimaat en afnemende biodiversiteit. Die crisissen hangen met elkaar samen en we kunnen ze niet langer negeren. Steeds meer mensen vragen zich af wat zij zelf kunnen doen. Als je volledig overstapt naar biologisch, ga je in één keer veel aspecten van de crisissen te lijf. Je draagt bij aan het tegengaan van klimaatverandering en biodiversiteit, en aan betere bodem- en waterkwaliteit.” Biologische producten hebben dus veel extra waarde(n) in zich. Maar het is volgens Saat lastig om al die waarden te laten zien aan de consument. Dat verklaart ten dele het tot nu toe karige aanbod van biologische producten in de gewone supermarkt, waar producten vooral wat betreft prijs met elkaar concurreren.

‘Als je volledig overstapt naar biologisch, ga je in één keer veel aspecten van de crisissen te lijf‘ – Roosmarijn Saat

Verdienmodel
Toch kan biologisch een goed verdienmodel zijn. Saats eigen winkel laat dat wel zien: een mooie grote supermarkt met alleen maar biologische producten, die bovendien veelal van lokale leveranciers komen. De supermarkt is onderdeel van het drukbezochte winkelcentrum De Groene Passage in hartje Rotterdam: zeven winkeliers die samenwerken vanuit dezelfde gedachte van duurzaam, fairtrade en groen. “Voor verdere groei van de biologische sector is het van belang dat vraag en aanbod hand in hand gaan. Als de vraag groeit, kunnen boeren meer investeren om hun bedrijf uit te breiden zodat ook het aanbod toeneemt.”

Marktaandeel
Saat is ook lid van het dagelijks bestuur van Bionext. Deze ketenorganisatie voor biologische landbouw en voeding publiceert elk jaar een trendrapport. In het recent verschenen rapport over 2020 staat onder andere dat er iets meer Nederlandse landbouwgrond wordt gebruikt voor biologische productie, dat 95,6% van de Nederlandse huishoudens in 2020 biologische producten heeft gekocht, en dat melk, eieren en yoghurt de meest verkochte biologische producten waren in de supermarkt. Maar het marktaandeel van biologisch in de Nederlandse supermarkten is slechts rond 3%. Flink minder dan in de Europese koplopers Denemarken (12,1%), Zwitserland (10,4%) en Oostenrijk (9,3%). Nederland blijft ook ver achter wat betreft het percentage landbouwgrond met biologische teelt: dat is slechts 4%, tegen 8,5% als Europees gemiddelde. Oostenrijk is in de EU koploper met 26% biologisch landbouwareaal.

Teleurstellend
Vooral het lage percentage biologische landbouwgrond is erg teleurstellend, vindt Saat. “Nederland heeft veel reguliere landbouw, met een groot deel voor export en voor diervoeding en veeteelt. Om dat te veranderen, zijn onder andere maatregelen nodig van de overheid. Die kan boeren bij de hand nemen en hen goede mogelijkheden bieden zodat zij zich gesteund voelen. Boeren die willen omschakelen, hebben de overheid nodig om dat mogelijk te maken. Maar helaas maakten afgelopen jaar, voor het vierde jaar op rij, minder boeren de overstap naar biologisch. Vanuit de Europese Green Deal wordt nu de Farm to Fork strategie uitgewerkt. Bionext praat daarover mee en kan haar visie inbrengen. Bovendien zien we steeds meer aandacht voor biologisch bij het ministerie van LNV. Met de Green Deal hebben we gelukkig wel de wind in de rug.”

Prijs is barrière
Er is ook ondersteuning nodig voor de consument, betoogt Saat. Bijvoorbeeld meer voorlichting over de waarden van biologische producten. Want de prijs blijft de grootste barrière om biologisch te kopen: 65% van de huishoudens zegt vaker biologisch te kopen als het goedkoper zou zijn. “Maar in prijzen in de reguliere supermarkt zijn niet de effecten op de leefomgeving verrekend. Dat zijn dus geen ‘echte’ prijzen. Biologische producten hebben een prijs die verantwoord is. Je doet er iets goeds mee voor de wereld en voor je eigen gezondheid. Een win-win situatie. Bovendien help je boeren om te verduurzamen. Daarom hoop ik dat er meer bewustzijn ontstaat over prijzen van producten.”

BTW schrappen
De biologische speciaalzaken hadden vorig jaar een omzetgroei van gemiddeld 7,8%, voor Gimsel was dat zelfs bijna het dubbele. “Belangrijke punten voor onze klanten zijn hun gezondheid, de echte prijs van producten, openheid over hoe vervuilend reguliere producten zijn, het tegengaan van de huidige crisissen, en het verminderen van afval. Klimaat, milieu en gezondheid zijn de grote thema’s die nu spelen.”

Het moet sneller
Saat vertelt gepassioneerd over haar werk en visie. Ze is er mee opgegroeid: in 1988 startten haar ouders natuurvoedingswinkel Gimsel in Rotterdam, waar zij als jonge meid meehielp. “Mijn ouders waren pioniers. Toen al was er het besef dat de reguliere manier van landbouw niet kan doorgaan. Ik ben blij dat het biologisch marktaandeel groeit, maar er zijn nog stappen nodig en het moet sneller. Misschien moet het ook rigoureuzer, met boeren die eisen dat zij met steun van de overheid kunnen omschakelen naar biologisch. Bijvoorbeeld met een omschakelfonds voor boeren. Ook Bionext wil hen daarin ondersteunen. We weten hoe het moet, dus laat ons je helpen om de goede weg te vinden.”

Ook enthousiast over de korte keten? Bekijk dan hier bij welke aanbieders je in jouw regio terecht kunt en bestel direct een proefpakket om de smaak van de korte keten zelf te ervaren!

In het hele land staan boeren op hun achterste benen omdat er boerderijen uitgekocht dreigen te worden, al dan niet verplicht. Niet gek, gezien de impact en de soms dubieuze rol van de overheid. Maar er is een andere kant: een uitkoop kan ook positief uitpakken voor sommige boeren, zo blijkt bijvoorbeeld bij de Beijersche Schuur in Zuid-Holland.

Wouter van Wijk

Boerin en mede-eigenaar Yfke Boer vertelt: “We hadden weinig keuze toen de provincie Zuid-Holland bij ons aanklopte. Weggaan, meegaan of ermee stoppen. ‘We zien wel’, dachten we. Het waaide ook over. Maar we zagen ook wel dat er iets moest veranderen en wilden ook niet op dezelfde voet verder.” 

Yfke Boer – ‘Jaja, we doen onze naam eer aan!’

“Toen kwamen de provincie er weer mee. Een aantal jaar later, in 2010. Ze vroegen: willen jullie biologisch worden? Dat wilden we niet. Dan moet je vee loslopen, je moet veranderen. Je mag geen kunstmest gebruiken, waardoor alles minder hard groeit. Dan heb je voor dezelfde opbrengst weer meer land nodig.” 

Twee dochters, twee stukken land

“Maar toen kwamen onze dochters, die zeiden: we willen verder met het bedrijf. Ze zijn 30 en 28. Dat veranderde alles. We dachten: als zij het willen, dan wij ook. Dat hebben we aangegrepen om te veranderen. Zonder hen zou ons bedrijf stoppen.”

“Dus hebben we ons ingeschreven om er land bij te krijgen. Op Haastrecht. De boer die er zat is uitgekocht. Hij wilde tien jaar geleden niet meedoen en is weggegaan. Dat was niet leuk voor ze hoor! Ze hadden een melkveebedrijf. Hij zag niets in biologisch boeren en wilde op oude voet verder gaan. Ze zijn nu verhuisd naar een paar kilometer verderop. Op zich hebben ze mooi land nu en ze kunnen nu meer koeien melken. Maar hij is nog steeds boos.”

“De boerderij ernaast is ook uitgekocht. De provincie zat met die boerderijen in de maag. Na een beetje onderhandelen lukte het om het land erbij te pachten. We hebben het in gebruik en kunnen er maaien en droogvee kunnen brengen. Dat ging dus goed. Nu staat er een boerderij. Daar willen we graag de stal van gebruiken. “

“Want de ene dochter wil in Haastrecht verder. Ze gaat er jongvee opfokken. De ander blijft hier. Daarom willen we de boerderij die op dat land staat overnemen en land erbij huren.”

Otter moet settelen

“Maar goed, het is wel een heel andere manier van werken. Je moet een natuurinrichtingsplan maken. Daar kijkt dan een ecoloog naar. Je moet het met die ecoloog eens zijn, en de ecoloog met jou. Dat is wel gedoe, maar ook wel mooi.”

“Er loopt zo’n ecologische lijn door het land heen, vanuit Reeuwijk en dan door naar Bilwijk toe. De dieren moeten zelfs onder de provinciale weg door kunnen. Zo moet de otter zich hier kunnen settelen. Die willen ze graag hierheen krijgen. En andere soorten vogels en vissen. Zo moesten we de walkant afgraven, omdat de waterhuishouding anders moet.”

Yfke en Marinda leggen uit hoe ze overstappen op ‘natuurlijk boeren’

“De insteek is heel anders. We werken aan kruidenrijk grasland en stroken natuur. De sloten worden vergroot, waardoor een deel van je land moeras-achtig wordt en er meer riet kan groeien. Zo ben je op een heel andere manier met de natuur bezig dan wij al die jaren hebben gedaan. Je gaat ook deels terug in de tijd! Dat maakt het ook interessant.”

“Aan de andere kant moet je voor biologisch boeren ook een heleboel doen en laten. De natuur inrichten, geen kunstmest, bestrijdingsmiddelen. Dat kost geld. En je moet duurder inkopen. Voer bijvoorbeeld. Daar moet ook wat tegenover staan. Ik hoop dat consumenten en supermarkten zich dat ook beseffen.”

Ook enthousiast over de korte keten? Bekijk dan hier bij welke aanbieders je in jouw regio terecht kunt en bestel direct een proefpakket om de smaak van de korte keten zelf te ervaren!

Het is maandag 12 oktober, vroeg in de ochtend. De avond ervoor ben ik neergestreken op een camping in Tienhoven aan de Lek. Het is koud en vochtig, de dauw staat op het gras als ik naar de ingang van de camping fiets om documentairemaker Rik en zijn compagnon Edwin, die de drone gaat besturen, te ontmoeten.

Marja van der Ende

Het wordt een prachtige dag om het landschap van de Alblasserwaard en Vijfheerenlanden op beeld vast te leggen. Het is een lappendeken van weilanden met koeien en schapen, fruitboomgaarden, slootjes en dijken en het water van de Lek, die het gebied scheidt van de Lopikerwaard en Krimpenerwaard. De zon komt langzaam op en op die Lekdijk maken we de meest wonderschone beelden. Ook mijn bezoeken aan de vele zuivelboerderijen en kleine boerderij- en fruitwinkels worden vastgelegd.

Ruim driekwart jaar later, op maandag 21 juni, is de documentaire ‘Het voedsel van hier’ van het Gebiedsplatform Alblasserwaard-Vijfheerenlanden in première gegaan. De versoepelingen lieten toe dat we elkaar weer konden ontmoeten, buiten op een inspirerende locatie: Avonturenboerderij Molenwaard. Daar weer te zijn, op een uurtje autorijden vanaf mijn vertrouwde Westland, doet het verlangen direct oplaaien om meer lokale voedselproducenten en hun winkeltjes te ontdekken. 

Deze documentaire leende zich het beste voor een persoonlijke première-setting en dat was het wachten meer dan waard. De aanloop naar de première was spannend. De glunderende gezichten van Marieke, Amber en Laura van KnowWhy even voordat de film getoond werd, spraken boekdelen en voerden de spanning bij mij nog verder op.

Marja ontvangt een cadeautje als dank voor het meedoen

De documentaire is een schitterend portret geworden van het gebied, van de geschiedenis van het land en water, en van verschillende boeren die vertellen over hun bedrijf. De boeren Kortleve, Kuiper, De Jong, Verhoef en Van de Water delen hun visie over de landbouw van nu en de toekomst. Vreemde ‘eend’ in het gebied is het duo Kiem & Salari die insecten kweken in een bij boer Kuiper gehuurde schuur. Het initiatief Lev Lokaal is de verbindende schakel voor het leveren van boodschappenpakketten met lokale producten aan de consument. 

Tussendoor fiets ik op beeld voorbij en vertel ik waarom ik als consument de macht heb om te bepalen wat ik in mijn mond stop en waar ik het koop: rechtstreeks bij de voedselproducent. En dat die stap om lokaal te kopen ook helpt het landschap in het gebied, in stand te houden. Die glunderende gezichten van de makers waren terecht. Precies de juiste beelden en woorden zijn gekozen om te verwerken in deze film, van alle geportretteerden.

Ik ben trots aan deze documentaire meegewerkt te hebben. Gevleid dat ik gevraagd ben en bevoorrecht met zo een gedreven team gewerkt te hebben. Wat in dit gebied nog ontbreekt, is een voorfietser voor Fietsen voor m’n eten, die de passie en sfeer van het gebied ook gaat uitstralen naar andere (fietsende) consumenten. Zowel naar de inwoners zelf als naar de toeristen, de lokale producten zijn het waard om ontdekt te worden. 

Zodat dit prachtige gebied niet verandert in een New Yorkse Central Park (quote van boer Jan Kuiper), maar vruchten kan blijven geven om de bevolking te voeden.

De documentaire is vanaf nu als een programma bij het Gebiedsplatform Alblasserwaard-Vijfheerenlanden te boeken via info@gebiedsplatform.nl. De makers komen dan mee om uitleg te geven. In het najaar zullen dialoogavonden georganiseerd worden met Het voedsel van hier als insteek voor de dialoog. De documentaire is mede gerealiseerd met steun van de Provincie Zuid-Holland.   

Ook enthousiast over de korte keten? Bekijk dan hier bij welke aanbieders je in jouw regio terecht kunt en bestel direct een proefpakket om de smaak van de korte keten zelf te ervaren!

Boeren in een officieel natuurgebied, kan dat zonder de natuur in problemen te brengen? De stichting Zuid-Hollands Landschap denkt van wel en werkt in de Krimpenerwaard steeds inniger samen met boeren om het antwoord op die vraag te vinden. Wat blijkt? Het kan, maar het heeft tijd nodig.

Ilona de Ruijter

De stichting verpacht – onder strenge voorwaarden –  stukken natuurgebied aan boeren voor agrarisch medegebruik. “Dat betekent dat er natuur gerealiseerd wordt én er op een natuurvriendelijke manier geboerd wordt”, legt Sietse Kleinjan, Boswachter Uitvoering bij het Zuid-Hollands Landschap uit. “Kritische percelen met bijzonder hoge natuurwaarden beheren wij zelf, maar het grootste deel van de percelen verpachten we aan boeren. Het is een financiële win-win situatie; de boeren pachten relatief goedkoop land waar zij gras van kunnen oogsten en wij krijgen er geld voor.” Daarnaast wordt het natuurnetwerk er robuuster door: “De natuur wordt gedragen door de omgeving.” 

Dat is goed te zien bij twee Krimpense boerenbedrijven: de Veerstalhoeve en de Beijersche Schuur, die beiden steeds natuurlijker werken. Voor de boeren was het pachten van de natuurgronden naast een financieel aantrekkelijke samenwerking ook de enige mogelijkheid om hun bedrijf op een natuurlijke manier te kunnen draaien. 

Boerderijwinkel De Veerstalhoeve

Voor de ontwikkeling van het natuurnetwerk heeft de Provincie namelijk land onteigend van andere boeren. “Het was een kwestie van stoppen met ons bedrijf, verhuizen, of meegaan in de plannen”, vertelt Henk van Drunen, eigenaar van paardenpension en boerderijwinkel de Veerstalhoeve. En om mee te gaan in die plannen heeft de boer meer land nodig. Datzelfde geldt voor de Beijersche Schuur. De omslag naar natuurlijk werken is een enorme klus, maar omdat bij beide bedrijven de kinderen het bedrijf voortzetten, konden de families de uitdaging aan.

Natuurbeheer als meerwaarde 

“Het werken met natuurland past bij ons bedrijf; het minder voedingsrijke grovere gras is ideaal voor de paarden en de ossen mogen het land in kleine groepjes beweiden.”, legt van Drunen uit. “Het vlees van de ossen kunnen we daardoor als grasgevoerd natuurvlees verkopen. Het duurt langer voordat de ossen slachtrijp zijn, maar ze hebben een relaxter buitenleven en het vlees smaakt zoals vijftig jaar geleden.”

“Het voelt goed om bij te kunnen dragen aan de natuurdoelstellingen; het geeft een extra dimensie aan ons bedrijf. Er komen veel klanten uit Gouda speciaal voor hun vlees en kaas.” zegt hij trots.

“Het vlees smaakt zoals vijftig jaar geleden”

Boer Van Drunen

Ook bij Jan en Yfke Boer van de Beijersche Schuur past het pachten van de natuurgronden bij het bedrijf: “We hadden extra land nodig om ons vee minstens zes maanden per jaar 24 uur per dag te laten weiden. En onze Blaarkop en Witrug koeien kunnen prima grover gras eten, dat is voor hun gezondheid zelfs beter. We willen hier op de boerderij zuivel met meerwaarde produceren en verkopen.”

Natuurnetwerk

De vernieuwing in de Krimpenerwaard staat niet op zichzelf, maar is onderdeel van een groter geheel. De provincie Zuid Holland bouwt al sinds een pilot in 2013 samen met natuurorganisaties en agrariërs aan het Natuurnetwerk Nederland, dat natuurgebieden wil versterken door ze aan elkaar te verbinden. Want grote gebieden zijn beter bestand tegen negatieve invloeden zoals verdroging of overstromingen. Omdat de Krimpenerwaard onderdeel is van dat netwerk, worden er delen ‘vernat’ en verschraald om de bodem geschikt te maken voor bijzondere plantensoorten en weidevogels.

Dat laatste is voor de boeren een flinke uitdaging. “Als de grond erg nat is, kunnen onze machines er niet op. Ook kunnen de koeien moeilijker uit de sloot drinken door de zachte kanten; ze zakken weg in de modder. Maar ik begrijp dat het nodig is voor de weidevogels”, vertelt Yfke Boer.

Yfke Boer in de kaasmakerij

Kleinjan: “Om het land in de Krimpenerwaard geschikt te maken voor weidevogels is vernatting nodig, dus wordt het waterpeil omhoog gebracht. Daardoor groeit het gras langzamer en komen er meer bloemen. Die trekken insecten aan die een goede voedselbron vormen voor de kuikens van weidevogels.” 

Onkruid, mest en maaien

Maar dat is niet de enige uitdaging. Ook onkruid is een probleem, omdat het niet geschikt is voor het hooi en het de gewenste botanische soorten al snel overwoekert. Met de hand wieden is erg veel werk, dus is bij de Veerstalhoeve gebruikt in overleg met de boswachter sinds vorig jaar een onkruidknipmachine. Die snijdt enkel de dikke, harde stengels van het onkruid weg en laat grassen staan. Zo wordt gezamenlijk naar oplossingen gezocht. 

Ook met mest moet de boer heel anders omgaan. Zo mag op slechts een klein deel van de gronden ruige mest worden gebruikt, zijn er afgesproken maaitijden en zijn chemicaliën uit den boze. Dat zorgt voor extra werk voor de boeren. “Omdat het natuurland niet bemest wordt kunnen we bijvoorbeeld veel minder hooi oogsten per hectare land. Voor dezelfde oogst moeten we drie keer zoveel oppervlak bewerken”, vertelt Van Drunen. 

Ook voor de familie Boer is het omschakelen: “We gebruikten altijd al ruige mest, maar aangevuld met kunstmest. Kunstmest gebruiken kan nu niet meer; de bodem moet verschralen. Het is best puzzelen om natuurbeheer, boeren en een redelijk inkomen samen te brengen, maar het geeft voldoening.”

Ondanks de beperkingen en regels zijn de boeren tevreden over de samenwerking en geven aan dat alles in goed overleg met boswachter Sietse verloopt. Dat beaamt de boswachter: “Het geeft energie om samen met Van Drunen en Boer aan de natuur en de polder te bouwen. En natuurlijk zijn er wel eens problemen, maar iedereen heeft begrip voor elkaars situatie.”

Meer tijd

Het duurt nog wel even voordat we de gewenste plant- en vogelsoorten in de polder terugzien. Eerst moeten de basiscondities in het gebied in orde zijn; op dit moment is de grond te rijp en te droog. “Maar we zien hier en daar al wat botanische soorten terugkomen. We staan nog aan het begin van het proces en daarom wordt het gebied door de Provincie ook ingericht voor het natuurnetwerk”, licht Kleinjan toe. Het terugkomen van soorten gaat niet over één nacht ijs: “Als een perceel in agrarisch gebruik is geweest, en je zou optimaal maaien, het gewas afvoeren en geen mest rijden, dan zal de vegetatie na zo’n tien jaar in goede conditie zijn. Voordat je echt resultaat ziet ben je wel twintig jaar verder.” 

Maar kijkende naar de successen in andere gebieden mogen we ook in de Krimpenerwaard mooie resultaten verwachten: “In Polder de Nesse is een groot deel van het natuurgebied ingericht en daar zien we twee keer zoveel grutto’s, drie keer zoveel tureluurs en vier keer zoveel kieviten. Daarnaast komen er nu veel zeldzame trekvogels. Daar blijkt dat goed natuurbeheer effect heeft.” 

Ook enthousiast over de korte keten? Bekijk dan hier bij welke aanbieders je in jouw regio terecht kunt en bestel direct een proefpakket om de smaak van de korte keten zelf te ervaren!

Met negen boerderijen in functie, tientallen initiatieven om nieuwe op te richten en honderden geïnteresseerden in het hele land, kun je wel stellen dat het initiatief Herenboeren een groot succes is. Zeker omdat de eerste Herenboerderij pas vijf jaar geleden, in 2016 werd opgericht. Wat kunnen we voor de komende vijf jaar verwachten?

Ilona de Ruijter

In Zuid Holland zijn de ambities in elk geval groot. Terwijl er begin vorig jaar nog nul Herenboerderijen zaten, zijn het er binnenkort al drie. Zo startte in maart 2020 De Vlinderstrik in Rotterdam met zaaien, fruitbomen en veeteelt. Door de opstartfase is de productie nog niet heel hoog, maar daar komt dit jaar verandering in. Eind deze maand gaat Herenboeren Aan den Drecht in het Groene Hart van start en de derde is ook ver in het proces.

Negen Herenboerderijen, tientallen initiatieven en honderden geïnteresseerden door heel Nederland

Een Herenboerderij is een kleinschalig, gemengd en coöperatief boerenbedrijf voor en door mensen die gezond willen eten en willen vertrouwen op eerlijke productie met respect voor de boer, de dieren en de natuur. Van zo’n boerderij zijn 150 tot 200 gezinnen lid, die elk een startbedrag van 2.000 euro inleggen voor de oprichting. Vervolgens betalen zij een wekelijkse contributie om het bedrijf draaiende te houden. Al het eetbare dat de boerderij voortbrengt, wordt verdeeld onder de leden. Dat voedsel verbouwen zij niet zelf, maar de coöperatie heeft een boer in dienst. En wie dat leuk vindt is welkom om de boer een handje te helpen. 

Het eerste volledige seizoen

Lian Tan

Herenboerderij de Vlinderstrik bevindt zich in het noorden van Rotterdam en bereik je met de metro, of binnen een half uur fietsen vanuit het centrum. Dit jaar beginnen zij hun eerste volledige seizoen. “Het doel is om alle leden wekelijks te voorzien van groenten, fruit, aardappels, eieren en kippen-, runder- en varkensvlees. Maar zo ver zijn we nog niet”, vertelt Simone Roodenberg, bestuurslid bij De Vlinderstrik. “We zijn blij als we straks elke week voedsel kunnen uitleveren. Omdat we vorig jaar halverwege het jaar zijn gestart hebben we nog niet alles kunnen zaaien. Op dit moment betalen we daardoor nog relatief veel voor weinig opbrengst. Maar dit jaar zaaien we alles wat we willen, al is het afwachten of alle gewassen gedijen in de kleibodem.”

Een tweede Herenboerderij van start

De Vlinderstrik blijft niet lang de enige Herenboerderij in de provincie, want 31 mei krijgt Herenboeren Aan den Drecht grond in Leimuiden overgedragen van de gemeente. “Dan mag ook direct de eerste spade erin”, vertelt Lian Tan, woordvoerster van Herenboeren Groene Hart, opgewekt. “We kunnen van alles op het land gaan doen, omdat er nog helemaal niets staat en uit bodemonderzoek blijkt dat de grond erg goed is.”

Eten, maar bovenal gezelligheid

Het bouwen van een gemeenschap is volgens Tan, naast het duurzame voedsel, een belangrijk doel van de Herenboerderij: “Voedsel en gemeenschap zijn twee van onze pijlers. De derde is natuur.” Ook Roodenberg is positief te spreken over het gemeenschapsgevoel: “De community is een extraatje dat je niet verwacht als je lid wordt. Het is een gemeenschap van mensen met dezelfde interesses en doelen, waardoor er snel een klik is. Dat vind ik misschien wel het mooiste van de Herenboeren.”

Meer Herenboerderijen?

Paul Valster

Zowel in de regio Rotterdam als in het Groene Hart staan Herenboeren te popelen om boerderijen te starten. Aan interesse geen gebrek, dus waarom zijn er niet meer Herenboerderijen in Zuid-Holland gerealiseerd? “Grond is de bottleneck in deze regio, zodra we grond hebben komen de mensen vanzelf”, licht Paul Valster toe, bestuurslid van Herenboeren Rotterdam, dat zich inzet voor meer Herenboerderijen in de omgeving van de havenstad. Valster heeft alle vertrouwen om geschikt land voor nog vijf Herenboerderijen in de regio Rotterdam te vinden: “We willen niet alle boerderijen tegelijk starten, dat kunnen we niet managen. Maar we blijven wel continu met de juiste mensen praten.” Dat doet ook Herenboeren Groene Hart. Tan vertelt dat het doel is om in het Groene Hart elke 20 tot 30 kilometer een Herenboerderij te realiseren. “De eerste is gelukt, op naar meer geschikte locaties.”

Vooral in Rotterdam zit schot in de zaak: “De eerstvolgende boerderij, de Aalkeet, komt met 90% zekerheid in de Zuidbuurt in Vlaardingen. We wachten op definitieve goedkeuring van de gemeente. Verder zijn we in gesprek over verschillende locaties in het buitengebied van Rhoon, bij de Rottemeren en onderzoeken we of er in Hoek van Holland geschikte grond is.” 

Door het nieuwe project Rotterdam De Boer Op van Natuurmonumenten en achttien partners, waaronder Herenboeren, zou zomaar nog meer vaart in de realisatie van nieuwe Herenboerderijen kunnen komen. Het project kwam tot stand dankzij een gift van de Nationale Postcode Loterij en heeft als doel om de natuur op het Rotterdams platteland tot bloei te laten komen en het bord van duizenden Rotterdammers er anders uit te laten zien: gevuld met (h)eerlijk en lokaal geproduceerd voedsel. Het project moet in 2027 volledig op eigen benen staan. We kunnen de komende jaren dus uitkijken naar meer Herenboerderijen. Wie enthousiast geworden is kan hier terecht. 

Ook enthousiast over de korte keten? Bekijk dan hier bij welke aanbieders je in jouw regio terecht kunt en bestel direct een proefpakket om de smaak van de korte keten zelf te ervaren!

Tijdens een FOOD-festival voor lokale producten in Krimpenerwaard vijf jaar geleden, ontdekte Arike Mijnlieff iets geks: de bezoekers wisten nauwelijks wat voor voedsel hun eigen streek ze konden kopen. “Waar haal je al die streekproducten?”, vroegen ze. Het was het begin van de Voedselfamilie Krimpenerwaard, een lokaal initiatief waar minder transportkilometers en meer gezondheid en biodiversiteit voorop staan. 

Kees Vermeer

Arike Mijnlieff

Van een kleine voedselkaart groeide het uit tot een organisatie waaraan zo’n 25 partijen bijdragen. “De Voedselfamilie staat voor een eerlijke route naar gezond eten uit je eigen regio. Het is hoopvol en hartverwarmend dat al zo veel partijen meedenken”, zegt initiatiefnemer Mijnlieff.

Zelf is Arike al vanaf 2014 bezig met initiatieven voor de korte keten. Gaandeweg kwam ze in contact met gelijkgestemde mensen en werd de eerste samenwerking met de Stichting Promotie Krimpenerwaard een feit. ‘We wilden gezamenlijk nagaan waar behoefte aan was en wat we met elkaar konden doen op het gebied van voedsel en korteketenlijnen. Vanuit de Krimpenerwaard gingen we op handelsmissie naar Rotterdam. We kwamen onder andere in de Markthal die toen net nieuw was, en ook bij de Fenix Food Factory met ambachtelijke ondernemers op Katendrecht.”

Passie voor voeding en natuur

De roots van Arike zelf gaan veel verder terug. Als kind was ze liever in haar moestuin dan in een zandbak. Ze had familie op een boerderij in Friesland waar ze vrijwel iedere zomervakantie naar toe ging en hielp met hooien, kippen voeren, koeien melken en oogst verwerken. Later heeft ze haar passie voor voeding en natuur omgezet in een studie, en nu heeft ze een praktijk om mensen te begeleiden op het gebied van voeding en gezondheid. Tevens werkt Arike mee aan verschillende projecten voor bewustwording over gezonde voeding voor mens en natuur. Ze is betrokken bij tal van regionale en landelijke organisaties in de korte keten, vaak in combinatie met gezondheid.

FOOD-kaart

Arike’s rol in de Voedselfamilie Krimpenerwaard is het enthousiasmeren van producenten, consumenten en andere belanghebbenden om samen te werken aan duurzaamheid en lokaal geproduceerd voedsel. De start van de Voedselfamilie was met een food-festival in 2016 in Krimpen aan den IJssel met uitsluitend streekproducten. Het viel haar op dat de plaatselijke bevolking nauwelijks wist wat er al was in de Krimpenerwaard. Waar haal je die streekproducten?

Waar haal je die streekproducten?

Bezoekers van het FOOD-festival Krimpenerwaard

“Daarom hebben we toen de Krimpenerwaard FOOD-kaart gemaakt, met een overzicht van lokale aanbieders. Ik heb zelf potjes bij elkaar gescharreld om die te realiseren. Inmiddels is de derde FOOD-kaart gepubliceerd, met bijna veertig lokale producenten. Bovendien was in 2018 een tweede FOOD-festival in Lekkerkerk. Dat was in samenwerking met de Groenalliantie Midden-Holland en de Krimpener Kunstwaard, met kunstenaars in en uit de Krimpenerwaard. Het is inspirerend om samen zo’n festival vorm te geven. Steeds meer initiatieven rijgen zich aaneen, zoals recent ook Fietsenvoormijneten.”

Vaker op de fiets naar de boer

De Voedselfamilie richt zich op gezondheid, duurzaamheid en het verbinden van consumenten en producenten. Op de website voedselfamiliekrimpenerwaard.nl verwoordt Arike het zo: ‘Met de Voedselfamilie Krimpenerwaard geven we vorm aan gezamenlijke verantwoordelijkheid en samenwerking naar een gezondere bodem, voeding, levensstijl en een bloeiende lokale economie.’ Ze wil bereiken dat mensen vaker op de fiets stappen naar de boer in de buurt, in plaats van met de auto naar de supermarkt om daar alle boodschappen te doen. “Mijn motivatie is de zorg voor de natuur en gezondheid in het algemeen. Daarbij past ook een gezonde lokale economie.”

De komende tijd zullen activiteiten en samenwerkingen inhoudelijk verder worden uitgewerkt, zoals met De Kortste Weg en Rotterdam De Boer Op. Arike ziet de Voedselfamilie als een groot plein waar iedereen kan samenkomen om via samenwerking elkaar te versterken. “We willen ook onderwijs en voorlichting gaan geven over voedsel, over hoe het groeit en wat het doet in je lichaam. Het is belangrijk dat kinderen dat al op jonge leeftijd meekrijgen, en zich ook bewust worden van het belang van lokale productie. Zo kunnen we met kinderen naar een boomgaard om te laten zien hoe fruit groeit aan de bomen, of met hen een workshop doen om bijvoorbeeld appelmoes te maken. Er zijn al contacten met scholen en met mensen die dit soort lessen kunnen gaan verzorgen. Ook andere voedseldeskundigen, diëtisten, artsen en sportorganisaties kunnen hierin een rol gaan spelen.”

Melktap in supermarkt

Arike noemt nog wel enkele uitdagingen. Zo hebben instellingen contracten met grote leveranciers en is het niet vanzelfsprekend dat die meteen zullen of kunnen overstappen naar lokale producenten. Dat vereist onder meer flinke aanpassingen aan de logistiek. “Dus we moeten hen zover krijgen dat zij toch die stap gaan maken. Dat geldt ook voor de consument. Zo had een supermarkt een melktap staan met melk van een plaatselijke boer. Maar de meeste mensen zijn nog zo gewend aan melk in pakken, dat veel van die melk overbleef. En daar kun je dan niets meer mee. Dus het bewustzijn over lokale producten moet nog groeien. Gelukkig zien veel mensen vanwege de coronacrisis steeds meer gevaren en risico’s van de huidige voedselketens. Daardoor groeit de vraag naar lokale producten.”

Veranderingen vragen meestal een lange adem. Arike vindt het daarom belangrijk om te beginnen met educatie aan kinderen: “Zij zijn de consumenten van morgen. Educatie is ons fundament. Dan worden ook docenten en ouders erbij betrokken. Zo kunnen we een nog groter netwerk opbouwen. We staan met elkaar voor grote duurzame uitdagingen. Gelukkig is er steeds meer belangstelling voor korte ketens. Ik vind het hoopvol en hartverwarmend dat al zoveel partijen meedoen met de Voedselfamilie.”

Ook enthousiast over de korte keten? Bekijk dan hier bij welke aanbieders je in jouw regio terecht kunt en bestel direct een proefpakket om de smaak van de korte keten zelf te ervaren!

In plaats van zich aan te sluiten bij grote boerencoöperaties als FrieslandCampina of Arla, zoeken boeren samenwerking in kleiner verband. Onder het motto ‘samen sterker’ lukt dat steeds beter. De omzet stijgt de laatste jaren hard, omdat steeds meer consumenten de voordelen van kleinschalige productie zien. Maar waarom kan dat niet bij de grote jongens?

Wouter van Wijk

Wil de Vette

Dat het snel kan gaan, bewijst de coöperatie Delflandshof. “We hebben de ambitie om eerlijke eigen Midden Delflandse zuivel te produceren,” zegt Wil de Vette van Hoeve Bouwlust in Maasland. De familie De Vette richtte vijf jaar geleden samen met vier andere boeren de coöperatie op en groeit, zeker in het laatste jaar, flink: “We begonnen met drie koeien voor onze coöperatie en zitten nu op twintig. Er zijn al momenten dat zelfs dat te weinig is!”

Delflandshof doet niet alleen aan melk, maar ook andere zuivel, vlees en andere delicatessen. De producten werden eerst alleen verkocht in de boerderijwinkel van Bouwlust, maar groeide snel naar veertig andere afzetpunten, zegt De Vette. ,,Vooral delicatessenwinkels, maar ook een paar supermarkten.” Voordat corona toesloeg, had de coöperatie ook vergevorderde plannen om direct aan de horeca te leveren. Logischerwijs ligt dat nu even stil.

Het geheim van die snelle groei? “Bij ons smaakt de zuivel zoals het vroeger smaakte. Er zit een veel vollere smaak aan onze melk.” zegt De Vette. “In de fabriek trekken ze de melk eerst helemaal uit elkaar. En daarna mengen ze het tot melk. Zo krijg je altijd een constant vet- en eiwitpercentage. Dat smaakt heel anders dan onze melk. Mensen hebben het prijsverschil ervoor over.” Een liter melk van Delflandshof kost nu 1,55 euro, fabrieksmelk kost 1 tot 1,25 euro.

Edwin Veldhuijzen

Ook coöperatie Groene Hart Streekproducten ziet een flinke groei. Voorzitter Edwin Veldhuijzen: “We hebben dit jaar twintig procent meer omzet geboekt. Dat komt deels door de lockdown, en deels omdat we ons eigen merk, STREEK, hebben geïntroduceerd. We begonnen tien jaar geleden met 0 en hebben nu een omzet van 3 miljoen.”

Investeren

Daar is Delfslandshof nog niet. Financieel gezien is het voor de boeren nog geen vetpot, zegt De Vette: “Het is nu alleen nog maar investeren, het kost alleen maar geld. We hebben een nieuwe machine aangeschaft. De andere vier boeren investeren mee, puur omdat ze erin geloven. Dat het in de toekomst meer gaat opleveren.”

Dat moet kunnen, want voor de melk die boeren bij de fabrieken van FrieslandCampina laat afleveren, krijgen ze momenteel 32 tot 35 cent. Na aftrek van de kosten blijft er via Delflandshof flink meer over voor de boer. En dan is de levering aan de horeca nog niet eens begonnen. De Vette: “We zijn nog wel tevreden over FrieslandCampina hoor, maar zelfstandig werkt het wel lekkerder.”

De naam FrieslandCampina heeft voor veel boeren een dubbele lading. Aan de ene kant is het een betrouwbare partner. Aan de andere kant is de complete focus op schaal ze een doorn in het oog. Maar wat kunnen ze doen? De macht is groot. Daarom is er ook wrijving. 

Veldhuijzen: “We krijgen 33 tot 35 cent per liter, terwijl onze kostprijs al hoger is: 37 tot 40 cent.” Hij hekelt die scheve verhouding: “Mijn opa kreeg vroeger al 80 guldencent. Daar betaalde hij knechten van en het kon prima. Het zou nu, met alle kosten die we hebben onderhand 80 eurocent moeten zijn.”

Ondergeschoven kindje

Commercieel manager Edwin Crombags heeft beide kanten gezien: kleine en grote schaal. Hij werkte achttien jaar bij FrieslandCampina en nu alweer jaren bij het veel kleinschaliger Weerribben Zuivel. Hoewel hij persoonlijk geen negatieve ervaringen heeft met FrieslandCampina, is het verschil groot: “Het is een vrij log apparaat waar je wel door veel schijven heen moet om iets te bereiken. Dat is hier wel anders.” Hij ging uiteindelijk weg omdat hij graag biologische producten vermarkt. “Ik kon me niet honderd procent focussen op het biologische deel. Bij FrieslandCampina is dat toch een ondergeschoven kindje.”

De kracht van Weerribben zit ‘m juist in de kleinere schaal, denkt hij: “Bij de consument is behoefte aan lokale producten, met een eerlijke, transparante herkomst. Dat merken wij enorm. Ieder jaar groeien we tien procent.” Ook hij wijst op de vraag naar betere zuivel: “Wij werken al sinds de jaren tachtig met een ambachtelijke methode. De yoghurt krijgt bij ons de tijd om zuur te worden. In de fabriek niet. Kwark laten we echt uitlekken, zoals het hoort bij kwark. In de fabriek werken ze met een kwarkcentrifuge. Dat heeft niets te maken met kwark zoals die vroeger bereid werd.”

Hij wijst ook op het verschil in biologische keurmerken. “Het Europese bio-logo is minder streng dan bijvoorbeeld het Eko-keurmerk van onze melk. De normen liggen daar vast, en als je het wilt aanscherpen ben je in Europa jaren bezig natuurlijk.”

Daar komt nog bij dat lokale producten steeds belangrijker worden: “Heel veel mensen denken bijvoorbeeld dat producten in de supermarkt van Arla, uit Nederland komen. Dat is vaak niet zo, een groot deel komt uit Denemarken. Ze kijken gewoon waar de grondstof, melk, het goedkoopst is en daar halen ze het vandaan. Het zijn toch industriële partijen uiteindelijk”

Vraagtekens

Dat wrijft steeds meer in de landbouwwereld, zo lijkt het. “Ik hoor wel dat een aantal biologische boeren steeds meer vraagtekens zetten bij die werkwijze,” zegt Crombags. Daarom blijft Weerribben voorop lopen: “We gaan telkens een stap verder dan wat er in de supermarkt wordt aangeboden. Zo werken we nu samen met de Vogelbescherming en zetten we ons in voor kruidenrijk grasland.”

Groene Hart Streekproducten doet dat anders. De ruim dertig boeren van de coöperatie werken juist heel nauw samen met een supermarktketen, Hoogvliet. “Al tien jaar. Maar dat is heel iets anders dan met de echt grote jongens hè, Hoogvliet is een regionale retailer. Ze promoten echt regioproducten, zo zijn wij een onderdeel van hun marketing.” 

Veldhuijzen heeft weinig op met de echt grote supermarktketens: “We hebben er wel eens aan tafel gezeten. Die mensen gebruiken allerlei onderhandelingstechnieken waar wij niet van houden. Ze schuiven alle risico’s bij jou in je schoenen. Als je aan Albert Heijn wilt leveren, moet je de melk in hun distributiecentrum zetten. Als het dan te dichtbij de houdbaarheidsdatum komt, moet je het weghalen en krijg je niets. Dat is nog maar een voorbeeld. Hoogvliet helpt ons juist met het ontwikkelen en vermarkten van producten.” Ook al is dat laatste ook niet zonder horten en stoten gegaan: “Daar hebben we jaren aan moeten bouwen, maar nu werkt het fantastisch.”

Ook enthousiast over de korte keten? Bekijk dan hier bij welke aanbieders je in jouw regio terecht kunt en bestel direct een proefpakket om de smaak van de korte keten zelf te ervaren!

Het nieuwe project Rotterdam De Boer Op van Natuurmonumenten wil iets voor elkaar krijgen waarvan je zou denken dat het al eeuwen praktijk is: producten van boeren rondom Rotterdam moeten gewoon in de stad te koop zijn. Het klinkt als een open deur, maar het gebeurt amper. De Nationale Postcodeloterij steekt er zelfs vijf miljoen euro in. Waarom is dat nodig?

Kees Vermeer

“We zitten in een rat-race om steeds goedkoper voedsel te produceren. Uiteindelijk houdt dat een keer op, want producten kunnen niet steeds nóg goedkoper in de winkel liggen. Bovendien is het slecht voor milieu en biodiversiteit. In de hele voedselketen is de boer financieel gezien de laatste. Zij kunnen niet de prijs bepalen waarvoor ze hun producten willen verkopen en moeten doen met wat uiteindelijk nog over is.” 

Arie van den Berg. Foto Natuurmonumenten

Melkveehouder Arie van den Berg van Hoeve Ackerdijk in Schipluiden schetst in enkele woorden het probleem van de huidige voedselproductie en het grote knelpunt van boeren daarin. Daarom is hij aangehaakt bij ‘Rotterdam de boer op!’, een project van Natuurmonumenten en achttien partners, zoals het Zuid-Hollands Landschap, Herenboeren en Rotterdamse Oogst. Ze werken samen aan ‘een grote omwenteling op het Rotterdamse platteland én in de stad’. Het doel is meer biodiversiteit op het platteland, meer regionaal geproduceerd eten en een gezonde bedrijfsvoering voor boeren.

Mooi resultaat

Hoeve Ackerdijk is een biologische boerderij tussen Rotterdam-Overschie en Delft. Van den Berg werkt al ruim twintig jaar biologisch. Hij wilde met zijn bedrijf niet groter worden, geen kunstmest op het land, geen bestrijdingsmiddelen en minder vee. “Dat alles bij elkaar vergroot de kans op meer biodiversiteit doordat je het land minder intensief gebruikt. Dat is voor de natuur een mooi resultaat. Maar consumenten moeten wel bereid zijn om meer te betalen voor biologische producten. Zolang boeren met hun producten moeten concurreren tegen prijzen op de wereldmarkt, redden zij het niet om de omslag te maken naar biologisch werken. Boeren denken in langere termijnen en willen graag dat hun bedrijf er nog steeds is voor de volgende generatie. Daarom kiezen veel boeren er toch voor om te blijven groeien met hun bedrijf. Dat maakt een omslag nog complexer.”

“Wij gaan ervoor zorgen dat producten van boeren op het Rotterdams platteland, niet alleen naar de wereldmarkt gaan, maar straks ook gewoon in de stad te koop zijn”

Natuurmonumenten
Harder aan werken

Zestig procent van de oppervlakte van Nederland is agrarisch gebied. Teruglopende biodiversiteit is dus meteen een heel groot probleem. Andersom is het grote winst als de biodiversiteit weer kan toenemen. Volgens Van den Berg is momenteel slechts 4 procent van de agrarische oppervlakte van Nederland in gebruik voor biologische teelt. Dat gaat om boeren die natuurinclusief of volgens kringlooplandbouw willen werken. “Het gaat nog steeds om kleine aantallen boeren die daaraan meedoen. De biologische landbouw groeit weliswaar, maar daar moeten we harder aan gaan werken”, stelt Van den Berg. “Dit initiatief is daarvoor een mooie stimulans. Misschien kan dat boeren helpen om grond te financieren, zodat zij alleen de exploitatiekosten voor de grond hoeven te betalen. Overigens zijn er ook al andere initiatieven, bijvoorbeeld van burgers die willen investeren.”

Meer rechtstreekse verkoop

Het bedrijf van Van den Berg is een melkveebedrijf met bijna honderd koeien en vijfentwintig schapen. Er is tevens professionele kinderopvang gevestigd. Het merendeel van de melk gaat naar Friesland Campina en is in de supermarkt te koop als Campina Biologisch. De biologische zuivelproducten van de boerderij zijn ook bij enkele winkels in Delft en op de boerderij te koop. Hoeve Ackerdijk verkoopt op bestelling tevens biologische vleespakketten, veelal van jonge koeien die bijvoorbeeld geen melk meer kunnen geven. 

‘Ik krijg mijn tomaten gemakkelijker in Italië dan in hartje Rotterdam’

Tomatenteler in de buurt van Rotterdam

Van den Berg en zijn zoon willen, in lijn met een van de doelen van De Boer Op, de rechtstreekse verkoop aan de consument uitbreiden: “Door producten directer naar de stad te brengen, willen we een stukje van de marge naar ons toe halen dat nu in de keten zit. Helaas is de afzet in de buurt nu soms nog lastiger dan ver weg. Zo hoorde ik een tomatenteler zeggen: ‘Ik krijg mijn tomaten gemakkelijker in Italië dan in hartje Rotterdam’. Logistiek zijn er nogal wat hobbels om op korte afstand te kunnen leveren.”

Minder intensief

Van den Berg wil zoveel mogelijk circulair werken. Een voorbeeld: koeien die veel melk produceren, moeten worden bijgevoerd met speciaal voer. Dat wordt vanuit de hele wereld hiernaartoe gevlogen. Maar de koeien van Hoeve Ackerdijk geven jaarlijks zesduizend liter melk. Dat is tegenwoordig niet erg veel, maar zij kunnen dat met alleen gras uit de eigen omgeving. “We hebben daarvoor een speciale, iets sterkere koe gefokt. Als je een circulair bedrijf wilt, moet je minder intensief gaan werken en minder ruimte gebruiken. Ik vind het voorbarig om te zeggen dat de veestapel gehalveerd moet worden, maar misschien moeten we wel die kant op. Misschien gaan ook wij op termijn minder koeien houden.”

Melkveehouder Arie van den Berg uit Midden-Delfland en boswachter Natascha Hokke. Foto Bart Hoogland/Natuurmonumenten
Omwenteling

Volgens Van den Berg moeten boeren vertrouwen krijgen dat er toekomst zit in biologisch werken. Want niet iedereen durft die stap te maken. “Ik geloof erin dat er een tegendraadse beweging op gang komt als we dit met verschillende instanties gaan doen, met ook goede voorlichting.” Het geld van de Postcodeloterij kan daar goed bij helpen, denkt hij: ,,Onderdeel daarvan is dat boeren een deel van hun land omvormen naar natuur, zoals wij ook altijd hebben gedaan. Weidevogels zijn ons doel, waarbij we ons kunnen ontplooien in het ondernemerschap en we toch onze prestaties halen. Dat vind ik een boeiende kant van het geheel. En het kán. Want wij bestaan na 22 jaar nog steeds. En met veel weidevogels op ons land.”

Ook enthousiast over de korte keten? Bekijk dan hier bij welke aanbieders je in jouw regio terecht kunt en bestel direct een proefpakket om de smaak van de korte keten zelf te ervaren!