“De natuur levert prachtige diensten”

Boeren en natuurbeheerder gelden vaak als tegenpolen. Dat het ook anders kan bewijst het Zuid-Hollands Landschap, dat in de Krimpenerwaard intensief samenwerkt met agrariërs. Boswachter Ninouk Vermeer is in de Krimpenerwaard en Vijfheerenlanden verantwoordelijk voor het beheer, de inrichting en ruiling van grond. Dit met als doel koeien, weidevogels en insecten de ruimte te geven. “Willen we de wereld kunnen blijven voeden dan moet je ook zorg dragen voor wat er van nature al is.”

De Krimpenerwaard is een oudhollands Veenlandschap, middenin het Groene Hart. Stroken weiland en slootjes wisselen elkaar af. In de verte een kerktoren. Koeien, schapen en watervogels maken het plaatje compleet. Vanuit de beheerboerderij Schaapjeszijde in Polder de Nesse zorgt het Zuid-Hollands Landschap voor de natuurgebieden in de buurt. Geroutineerd stapt Vermeer over een hekje. “Kijk, hier zie je een van de zeldzame percelen blauwgrasland. Vroeger hadden we daar zo’n 60 hectare van in de Krimpenerwaard. Nu is daar door de intensivering van de landbouw helaas nog maar twee hectare van over.”

Vermeer is namens het Zuid-Hollands Landschap verantwoordelijk voor de aanleg van het Natuur Netwerk Nederland in de Krimpenerwaard, waarin zij samenwerkt met boeren, het waterschap, de provincie en gemeente. Die hebben afgesproken dat er in dit gebied 2.250 hectare land moet zijn waar de natuur echt voorop staat. Heel belangrijk, vindt Vermeer. “In Nederland hebben we bijna geen robuuste, uitgestrekte natuurgebieden meer”, zegt ze. “Maar onze delta-natuur in de kustregio’s is uniek in Europa, met veel moerasvogels en weidevogels. Voor de weidevogel- en moerasvogelpopulatie is Zuid-Holland belangrijk. En dus willen we de stukjes natuur die we hebben, optimaal inrichten en beheren.”

Het is een oud verhaal en tegelijkertijd bij weinigen bekend. Door de intensivering van de landbouw sinds de tweede wereldoorlog, is er een enorme efficiency-slag gemaakt. De agrarische sector produceert steeds meer eten, tegen steeds lagere kosten. Dat betekende dat bijvoorbeeld melkveehouders met dezelfde grond een hogere productie realiseren. Goed voor de landbouw en de supermarkten, slecht voor de natuur. Natuurgebieden en kruidenrijke ‘schrale’ en natte graslanden waar insecten en weidevogels wel bij varen, maakten plaats voor monotoon grasland met een hoog eiwitgehalte, waardoor koeien steeds meer melk produceren.
“Fastfood voor de koeien” noemt Vermeer dit. De ‘rijke’ grond is zwaar bemest vanwege de koeien die er lopen en de stalmest die wordt uitgereden. Daarnaast wordt kunstmest gebruikt om de grasproductie zo hoog mogelijk te houden. Het saaie Engelse raaigras overheerst inmiddels de aanblik van Zuid-Holland. “Zeker, het is groen”, zegt Vermeer. “Maar daar is ook alles mee gezegd”. Deze ‘groene biljartlakens’ zoals ze door natuurliefhebbers badinerend worden genoemd, hebben langzaam maar zeker de natuur verdrongen ten gunste van de melkproductie.

Pragmatisch
Je kunt er langdurig filosofische discussies over voeren, maar Vermeer bekijkt het pragmatisch. “We zijn het erover eens dat we moeten eten. Dus er moet landbouwgrond zijn. Maar er moet ook ruimte zijn voor natuur. De natuur levert ons diensten. Een mooi voorbeeld is de bij die er als bestuiver voor zorgt dat bomen en planten bevrucht worden. En dus bijdraagt aan onze voedselproductie. Als de insectenstand inzakt en uiteindelijk verdwijnt hebben we wereldwijd een heel groot probleem.”

De natuur levert volgens Vermeer ook direct diensten aan de mens zelf, geeft ons mogelijkheden om te ontspannen, de stad uit te gaan. Veel onderzoeken laten zien dat dat een positief effect heeft op onze gezondheid. Duinen leveren drinkwater. Daarnaast kan veengrond, waar in de Krimpenerwaard veel van is, broeikasgassen in de bodem opslaan. Maar dat betekent een hogere waterstand – melkveehouders willen die juist laag houden – en geen bemesting. Vermeer: “Als je besluit de weidevogel te beschermen, dan bescherm je gelijk alle lagen in de natuur die samenhangen met die weidevogel. Dus de insecten, want weidevogels eten die. De vegetatie, die nectar levert om die insectenstand op peil te houden. Het is een bouwwerk dat met elkaar samenhangt.”

Van twee kanten
Vermeer zou graag zien dat we teruggaan naar de inrichting van het Veenweidegebied zoals die een eeuw geleden was. De terugkeer van ‘schraal’ grasland heeft daarbij prioriteit, samen met zogenaamde ‘vernatting’ (een hogere waterstand dan boeren doorgaans willen). Soms kan dat simpelweg door het huidige grasland af te graven, waarna de zaden die nog in de bodem zitten weer kunnen opkomen. Geholpen door het uitrijden van maaisel van de nog bestaande schrale graslanden.

“Dat betekent niet dat we hier straks alleen maar blauwgrasland hebben, helemaal niet. Op blauwgrasland kun je geen boerenbedrijf voeren. Dat is puur natuur. Maar daarnaast hebben we ook stukken grasland die wat rijker zijn en ook goed zijn voor de weidevogels”, legt Vermeer uit. “In de polder krijg je dan een mozaïek van verschillende typen grasland waar weidevogels en insecten zich in thuis voelen. Als je het in zo’n mozaïekvorm doet, hoeft er geen tegenstelling te zijn tussen de natuur en het boerenbedrijf, het kan dan prima naast elkaar plaatsvinden.”
Gemakkelijk gaat dat niet. Natuurbeheerders willen het liefst die schralere natuurgronden steeds wat uitbreiden en de agrariërs willen de rijke graslanden uitbreiden. “Daar schuurt het”, geeft ze toe. “Maar daar kun je elkaar ook op vinden. Je kunt bijvoorbeeld jongvee laten grazen op gronden waar ook natuurbeheer gepleegd wordt. Gras uit de natuurgebieden kan gebruikt worden in een potstal of je mengt het met ander gras tot hooi. Soms kunnen boeren met andere koeienrassen werken die weer beter op de natuurgronden passen.”

Ze is dus heel positief over de toekomst: “Er zijn genoeg tussenvormen te vinden, waarin een agrarisch bedrijf een bijdrage levert aan de natuur, en andersom. Bij het houden van vleeskoeien bijvoorbeeld, waarbij het vlees door de boer verkocht wordt als natuurvlees. Wij zitten in de Krimpenerwaard midden in een transitieproces. Het is van twee kanten elkaar vinden.”